Een relatief groot deel van de beroepsbevolking heeft met arbeidsrisico's te maken. Deze risico's leiden relatief vaak tot gezondheidsklachten, ziekteverzuim, beroepsziekten, arbeidsongeschiktheid en veelvuldig gebruik van medische voorzieningen. Met het afsluiten van arboconvenanten heeft de overheid de blootstelling aan een aantal arbeidsrisico's willen verminderen. In het regeerakkoord 1998-2002 werd aangekondigd dat het arbobeleid zou worden geïntensiveerd. Het toenmalige kabinet wilde hiermee een impuls geven aan verbetering van arbeidsomstandigheden en daarmee ook aan de preventie van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid.
Met het afsluiten van arboconvenanten wilde het kabinet de blootstelling aan een aantal arbeidsrisico's verminderen. Het ging om tillen, werkdruk, RSI, schadelijk geluid en een aantal gevaarlijke stoffen (oplosmiddelen, allergene stoffen en kwarts). Een relatief groot deel van de beroepsbevolking heeft met deze arbeidsrisico's te maken. Daarbij leiden deze risico's relatief vaak tot gezondheidsklachten, ziekteverzuim, arbeidsongeschiktheid en veelvuldig gebruik van medische voorzieningen.
>Er werden zogenaamde Hoogrisicobedrijfstakken, (HR) geselecteerd waarmee een convenant is afgesloten. Daarnaast was er ruimte voor 'zelfmelders', (ZM): branches die zich vrijwillig voor een convenant hebben aangemeld. Bij de start van de convenantenaanpak lag de nadruk primair op afspraken over preventie, over het voorkomen van (uitval door) arbeidsrisico's. Tijdens de vormgeving van de verschillende convenanten bleek dat een integrale aanpak van de problematiek van preventie en verzuim en vroegtijdige reïntegratie een meerwaarde had. Sindsdien zijn waar mogelijk afspraken over beide onderwerpen gecombineerd.
Informatie over Arboconvenanten
Op de website van het Arbo Platform Nederland, www.arbo.nl, vindt u de teksten van alle beschikbare arboconvenanten en/of intentieverklaringen. Ook kunt u daar overkoepelende informatie vinden over arboconvenanten.
Website en Nieuwsbrief Arboconvenanten
Zie voor meer informatie het Arboplatform voor professionals van SZW: www.arboconvenanten.szw.nl
Deze site (sinds 2004) is van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. U vindt daar de actuele en gezamenlijke informatie (werkgevers, werknemers en SZW) over arboconvenanten, preventie, reïntegratie en een specialistenplein. Vanaf 2004 is ook de Nieuwsbrief Arboconvenanten verschenen. Deze uitgave is voor iedereen die te maken heeft met arboconvenanten en die - naast de website – fungeert als medium om kennis en ervaring uit te wisselen.
Jaarrapportage arboconvenanten
In december 2002 verscheen de nota “Arboconvenanten nieuwe stijl: een rapportage over de periode
1999-2002”, met een overzicht van wat er tot 1 november 2002 met de convenantenaanpak is bereikt. Hierna verschenen jaarrapportages. De jaarrapportages geven informatie over de stand van zaken over de arboconvenanten en over de resultaten die zijn bereikt met de convenantenaanpak:
Accentverschuiving in verantwoordelijkheid
De laatste jaren is behoorlijk gesleuteld aan de wettelijke kaders om het ziekteverzuim en de WAO-instroom in Nederland terug te dringen. Met de privatisering van de Ziektewet (1994) en de WAO (1998) en de invoering van de nieuwe Arbowet (1998) is de verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers voor het arbo- en verzuimbeleid in hun bedrijf(stak) versterkt.
Uit onderzoek naar de arbeidsomstandigheden in Nederland blijkt echter dat het aantal werknemers dat aan bepaalde arbeidsrisico's bloot staat nog steeds groot is. Het gaat dan vooral om fysieke en psychische belasting, maar ook werken in schadelijk geluid en met gevaarlijke stoffen komt nog veel voor. Preventiemaatregelen worden niet altijd tijdig genomen en blijken niet altijd effectief om gezondheidsschade te voorkomen. Tot nu toe is bovendien nog geen trendbreuk in het ziekteverzuim en de WAO-instroom gerealiseerd.
In de nota Arboconvenanten nieuwe stijl: beleidsstrategie voor de komende vier jaar (1999-2002) heeft het kabinet aangekondigd om – als onderdeel van het bredere WAO-beleid een extra impuls aan het arbo- en verzuimbeleid te willen geven door op brancheniveau gerichte 'maatwerk'afspraken te maken. In veel branches waarmee nu een arboconvenant is of wordt gesloten, was het arbo- en verzuimbeleid op sectorniveau nog weinig ontwikkeld. Zo ontbrak het in de meeste branches aan een adequaat platform ter ondersteuning van arbozorg in de eerste lijn: de individuele Arbo-dienst en de onderneming. Convenanten bieden een kader voor de ontwikkeling van een dergelijk platform, evenals voor de ontwikkeling en implementatie van branchespecifieke risico-inventarisatie- en evaluaties (RI&E's), normering en (kosteneffectieve) preventiemaatregelen. Convenanten functioneren dus als aanvullend beleidsinstrument, gericht op versterking van de zelfwerkzaamheid van werkgevers en werknemers.
Taakstellend karakter arboconvenanten
Het is niet voor het eerst dat er arboconvenanten worden afgesloten. Eind jaren tachtig en begin jaren negentig werd het instrument al eerder gebruikt, onder meer voor baggerbedrijven, zeehavens, de rubberverwerkende industrie, de bouwnijverheid en de landbouw. Kenmerkend voor deze convenanten 'oude stijl' was dat ze meestal bestonden uit een reeks (vrijblijvende) activiteiten en inspanningen, vooral op het gebied van voorlichting en het ontwikkelen van branche-instrumenten. Sommige convenanten oude stijl waren tripartiet (werkgevers, vakbonden en overheid), andere bipartiet (werkgevers en vakbonden, overheid en werkgevers).
In 1998 heeft de overheid in overleg met de sociale partners besloten het begrip arboconvenanten nieuwe inhoud te geven. Tijdens het najaarsoverleg van dat jaar hebben Kabinet en Stichting van de Arbeid (STAR) zich in een 'Gemeenschappelijke Verklaring' gezamenlijk verantwoordelijk verklaard voor verdere verbetering van de arbeidsomstandigheden door arboconvenanten 'nieuwe stijl' te gaan afsluiten.
In tegenstelling tot hun voorgangers worden arboconvenanten nieuwe stijl gekenmerkt door een duidelijk taakstellend karakter. Dat wil zeggen dat elk afgesloten convenant effectieve afspraken moet bevatten, die zo veel mogelijk worden uitgedrukt in een kwantitatief doel. Bijvoorbeeld over vermindering van de lichamelijke belasting met een bepaald percentage of over structurele vermindering van het percentage WAO-instroom in de branche. Verder is het mogelijk streefcijfers op maatregelen te formuleren, zoals op het uitvoeren van werkplek- onderzoeken of het aanbieden van trainingen. Het opnemen van dergelijke kwantitatieve en meetbare afspraken in de convenantsafspraken is een voorwaarde voor subsidieverlening door SZW.
De weg naar een arboconvenant
In de Nota Arboconvenanten Nieuwe Stijl wordt de realisatie van een arboconvenant in drie fasen verdeeld. In de eerste fase gaat het om een verkenning die uiteindelijk moet leiden tot een intentieverklaring. Hierin verklaren partijen dat zij taakstellende afspraken willen maken en leggen zij vast welke activiteiten nodig zijn voor de invulling van die afspraken. Een intentieverklaring is eigenlijk een soort pre-convenant en moet bij voorkeur binnen vier maanden na de start van de verkennende besprekingen worden ondertekend.
Hierna start de tweede fase, waarin de concrete bepalingen van het convenant worden geformuleerd. In deze fase wordt ook het plan van aanpak bij het convenant vastgesteld. Vaak is aanvullend onderzoek nodig om te kunnen bepalen wat in de branche het aantal blootgestelden is aan een risico en over welke maatregelen het beste afspraken kunnen worden gemaakt. Voor deze tweede fase wordt een tripartiete branchebegeleidingscommissie (BBC) ingesteld, die zich met voornoemde activiteiten bezighoudt. Aan het eind van deze fase, maximaal één jaar na ondertekening van de intentieverklaring, volgt de ondertekening van het arboconvenant.
In de derde fase volgt de uitvoering van de afspraken (volgens het plan van aanpak) die zijn gemaakt in het convenant. Tijdens dit proces worden voortgang en tussentijdse resultaten getoetst door middel van monitoring. Het eindresultaat wordt getoetst met een evaluatie. De resultaten moeten op relatief korte termijn geboekt worden; reden waarom de doorlooptijd van de derde fase gemiddeld niet langer is dan vier jaar. Overheid en bedrijfsleven spreken in elk convenant af wat de overheid c.q. de sociale partners financieren. Uitgangspunt bij de financiering is dat de convenantspartijen in principe in gelijke mate bijdragen aan de financiering. Dat hoeft niet voor alle onderdelen op dezelfde wijze te gelden. Voor de overheidsfinanciering van de convenanten is een kadersubsidieregeling ontwikkeld.
Borging en CAO-afspraken
Borging is het structureel verankeren van de thema's uit een convenant, zodat sectoren ook ná afloop van een traject blijven profiteren van het arboconvenant. In de trajecten die inmiddels (eind 2004) het einde hebben bereikt, hebben partijen verschillende manieren bedacht om een duurzame werking van de resultaten van het arboconvenant te waarborgen. Bijvoorbeeld via:
In veel sectoren brengen partijen al een koppeling aan tussen convenantafspraken en CAO- afspraken: bij ruim de helft van alle trajecten (57%) is er in 2004 sprake van een doorwerking van het convenant naar de CAO. In 2003 ging het nog om 50% van alle trajecten.
Afhankelijk van de problemen en behoeftes van een branche kan een groot aantal verschillende afspraken in een arboconvenant worden opgenomen. Afspraken over de toepassing van de stand van de wetenschap en het toezicht op de naleving van deze afspraken door de Arbeidsinspectie vormen onderdeel van sommige convenanten.
Onder stand van de wetenschap wordt verstaan: maatregelen die al beschikbaar zijn of die in de toekomst beschikbaar komen om arbeidsrisico's te beheersen. Onderdeel van die afspraken kunnen normen zijn, die door de overheid als beleidsregel worden gepubliceerd.
Een convenant bevat in de regel ook bepalingen om het arbobeleid in de branche verder te verbeteren, bijvoorbeeld door het instellen van een arboplatform of een informatiepunt.
Overheid, werkgevers en werknemers kunnen in een convenant verder regelen dat branchegerichte instrumenten worden ontwikkeld of verbeterd. Ook kan de overheid bijvoorbeeld de ontwikkeling en toepassing van innovatieve arbeidsmiddelen en -methoden subsidiëren.
Start tweede fase
In 2003 is door het kabinet besloten de convenantenaanpak voort te zetten met als doel het sectorale beleid omtrent preventie, verzuim en reïntegratie verder te versterken. Dit besluit markeert de start van de tweede fase, gericht op het intensiveren van afspraken met bestaande convenantsectoren dan wel het afsluiten van arboconvenanten in nieuwe sectoren. Tweedefaseconvenanten dienen uitdrukkelijker aandacht te besteden aan verzuim en reïntegratiebeleid; ambitieuze doelstellingen ten aanzien van een reductie in ziekteverzuim en WAO-instroom vormen een voorwaarde voor het afsluiten van een tweedefaseconvenant. In 2003 en in 2004 zijn een aantal tweedefaseconvenanten afgesloten (zie het overzicht van getekende convenanten).
In arboconvenanten worden afspraken gemaakt met sectoren uit het bedrijfsleven over het voorkomen van arbeidsrisico's, waaraan een groot deel van de werknemers is blootgesteld. De risico's van fysieke en psychische belasting – tillen, RSI en werkdruk – hebben de grootste volume-effecten in de sfeer van de gezondheidszorg en sociale verzekeringen. Aan de arbeidsrisico's schadelijk geluid, oplosmiddelen, allergene stoffen en kwarts is eveneens een relatief groot aantal mensen blootgesteld. Deze risico's hebben weliswaar minder grote volume-effecten, maar het gevaar van blijvende – en ernstige – gezondheidsschade is nadrukkelijk aanwezig.
Arbeidsrisico's in arboconvenanten
Onderstaande tabellen uit de Jaarrapportage arboconvenanten 2004 bieden een overzicht van het bereik onder werknemers met een uitsplitsing naar arbeidsrisico/ onderwerp.
Overzicht van het bereik van convenantafspraken onder werknemers met een onderscheid naar arbeidsrisico/ onderwerp. Het onderwerp werkdruk blijkt de meeste werknemers te bereiken, gevolgd door de onderwerpen vroegtijdige reïntegratie en fysieke belasting.
| Onderwerp (arbeidsrisico) | Bereik (in aantallen werknemers) | Bereik (als percentage van de werkzame beroepsbevolking) |
| Werkdruk | 3,01 miljoen | 43% |
| Vroegtijdige reïntegratie | 2,72 miljoen | 39% |
| Fysieke belasting | 2,14 miljoen | 30% |
| RSI | 1,07 miljoen | 15% |
| Agressie en geweld | 1,05 miljoen | 15% |
| Oplosmiddelen | 0,67 miljoen | 9 % |
| Allergenen | 0,69 miljoen | 10% |
| Geluid | 0,21 miljoen | 3% |
| Arbeidsrisico's in convenanten (1e en 2e fase) in de periode 1999 - 2004 | 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2004 | Cumulatief |
| Werkdruk | 1 | 4 | 12 | 9 | 8 | 4 | 38 |
| RSI | 7 | 3 | 4 | 14 | |||
| Fysieke belasting/ tillen | 2 | 8 | 10 | 6 | 4 | 30 | |
| Geluid | 1 | 5 | 2 | 1 | 9 | ||
| Allergenen | 5 | 1 | 3 | 9 | |||
| Oplosmiddelen/ OPS | 3 | 4 | 2 | 9 | |||
| Kwarts | 1 | 1 | 2 | ||||
| Agressie en geweld | 1 | 5 | 2 | 3 | 11 |
Overige arbeidsrisico's / onderwerpen in Arboconvenanten
Het aantal onderwerpen waarover in convenanten afspraken wordt gemaakt, loopt uiteen: in sommige convenanten blijven de afspraken beperkt tot een onderwerp, in andere convenanten komen meerdere onderwerpen aan de orde. Behalve over prioritaire arbeidsrisico's, worden op verzoek van sommige bedrijfstakken ook afspraken over andere onderwerpen gemaakt. Zo zijn er convenanten specifieke afspraken opgenomen over het aanpakken van Agressie en geweld. Andere arbeidrisico's die voorkomen zijn; Houtstof, Biologische agentia / legionella, Gewasbeschermingsmiddelen, Lasrook, Machineveiligheid, Klimaat, Werken op hoogten, Begaanbaarheid van het bouwterrein, Voorlichting.
Overzicht van de meest voorkomende onderwerpen in (getekende) convenanten
| Onderwerp | Frequentie in 1e – fase convenanten (N = 50) | Frequentie in 2e – fase convenanten (N = 12) | Frequentie totaal (N = 62) |
| (Vroegtijdige) reïntegratie | 37 | 11 | 48 |
| Werkdruk / PSA | 35 | 3 | 38 |
| Fysieke belasting / tillen | 27 | 3 | 30 |
| RSI | 13 | 1 | 14 |
| Oplosmiddelen | 8 | 1 | 9 |
| Allergenen | 7 | 2 | 9 |
| Geluid | 8 | 1 | 9 |
| Agressie en geweld | 9 | 2 | 11 |
| Cytostatica | 2 | 1 | 3 |
| Reïntegratie vanuit de WAO | - | 4 | 4 |
| Biologische agentia | 1 | 1 | 2 |
| Houtstof | 2 | - | 2 |
| Klimaat | 2 | 1 | 3 |
| Kwartsstof | 2 | - | 2 |
(Bron: Jaarrapportage arboconvenanten 2004)
Aanpak van de arbeidsrisico's
Partijen ondernemen tal van activiteiten op preventief vlak, variërend van voorlichting via brochures, websites en trainingen tot de ontwikkeling van allerlei instrumenten en arbeidsmiddelen om de blootstelling aan arbeidsrisico's te verminderen. Een strategie die succesvol lijkt te zijn in het kader van de preventie, is die van een persoonlijke benadering van werkgevers en werknemers, bijvoorbeeld in de vorm van ergocoaches, arbovoorlichters of RSI-consulenten. In een aantal afgeronde trajecten zijn er effecten waarneembaar van alle inspanningen op de blootstelling aan de risico's dan wel op de naleving van een aantal vanuit het convenant ontwikkelde normen. In diverse trajecten hebben partijen op andere fronten successen geboekt bij de vormgeving van het bronbeleid, bijvoorbeeld via het bespreekbaar maken en het agenderen van belangrijke problematiek in de branche, via het aanzetten van individuele werkgevers en werknemers tot actie en het stimuleren van de toepassing van andere werkwijzen onder deze doelgroep en via het totstandkomen van nieuwe normen.
Men verwacht dat van de inzet op het terrein van de arbeidsrisico's een langdurig effect uitgaat, ook ná afloop van de convenanten.
In achtendertig van de afgesloten arboconvenanten zijn specifieke afspraken gemaakt over de aanpak van werkdruk/ psychosociale arbeidsbelasting (PSA). Veel kwantitatieve doelstellingen op het gebied van werkdruk zijn erop gericht het aantal mensen dat te maken krijgt met werkdruk te verminderen. Conform het landelijke streefcijfer voor dit onderwerp wordt vaak ingezet op een reductie van de werkdruk met 10%.
Geleidelijk aan is het begrip werkdruk verbreed en omvat het ook onderwerpen als werkstress, psychische belasting, agressie en geweld. Voorbeelden van branches waar een dergelijke doelstelling is afgesproken, zijn de Horeca, de Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ), het Onderwijs, de Banken en de Politie.
Branchespecifieke 'werkdrukinstrumenten'
Om de kwantitatieve doelen te kunnen realiseren, is een groot aantal branchespecifieke
'werkdrukinstrumenten' ontwikkeld. Zo wordt in de Academische Ziekenhuizen een module werkstress aan de RI&E gekoppeld.
Bij de Politie wordt een meetinstrument ontwikkeld om de kwantitatieve grenzen voor emotionele belasting bij politiepersoneel te kunnen vaststellen.
Binnen de Gehandicaptenzorg worden leidinggevenden getraind in verzuimmanagement. Ook in de andere bedrijfstakken waarin afspraken zijn gemaakt over werkdruk, wordt gewerkt aan concrete instrumenten en maatregelen.
Om bedrijfstakken te helpen bij hun keus voor effectieve maatregelen is in opdracht van SZW een catalogus Maatregelen werkdruk en werkstress ontwikkeld. In dit overzicht van de stand der wetenschap, dat is gebaseerd op internationaal literatuuronderzoek en gesprekken met deskundigen, zijn alle bekende maatregelen op het terrein van werkdruk en werkstress beschreven en wordt informatie gegeven over effectiviteit, toepasbaarheid en kosten/baten van de verschillende maatregelen.
Een belangrijke conclusie uit het onderzoek is dat voor het aanpakken van werkdruk het best gekozen kan worden voor een combinatie van organisatorische en op de persoon gerichte maatregelen.
In veertien van de afgesloten arboconvenanten zijn specifieke afspraken gemaakt over de aanpak van RSI. Er zijn ambitieuze doelstellingen geformuleerd en afspraken gemaakt om het percentage werknemers met RSI-klachten te reduceren. Het gaat daarbij niet alleen om RSI als gevolg van beeldschermwerk, maar ook als gevolg van andere repeterende handelingen, zoals lopende bandwerk.
De kwantitatieve doelstellingen over RSI zijn op verschillende manieren geformuleerd: in sommige convenanten staan doelstellingen die betrekking hebben op het ziekteverzuim als gevolg van RSI, in andere is de doelstelling gebaseerd op het aantal klachten.
Zo streeft de rijksoverheid bijvoorbeeld naar een reductie van het ziekteverzuim met één procentpunt, wat mede bereikt moet worden door de aanpak van RSI bij beeldschermwerk. Bij de gemeenten wil men echter het (nog nader vast te stellen) percentage werknemers met RSI-klachten terugbrengen.
RSI Maatregelen
Maatregelen die worden uitgevoerd om dergelijke doelstellingen te realiseren, zijn onder andere het gebruik van pauzesoftware-programma's, het opleiden van RSI-consulenten (werknemers die door middel van een scholing in staat zijn voorlichting en advies over RSI te geven), het geven van voorlichting, het ontwikkelen van een (digitale) kennisbank met praktische tips en 'best practices' en het ontwikkelen en toepassen van een protocol over wat managers kunnen doen voor werknemers met RSI-klachten.
Analoog aan de catalogus over werkdruk is eveneens een onderzoek naar de stand der wetenschap Maatregelen RSI bij beeldschermwerk verschenen. Belangrijkste conclusie uit het onderzoek die aan de catalogus ten grondslag ligt, is dat een integrale aanpak van het probleem, verankerd in bestaand arbobeleid, het meest effectief is.
Gerichte aanpak van RSI in convenanten: De Vleesverwerkende industrie
Een voorbeeld van een niet-beeldschermwerksector waar veel RSI-klachten voorkomen, is de Vleesverwerkende industrie. In de sector zijn 27.000 mensen werkzaam, waarvan bijna één op de drie een sterk verhoogd risico loopt RSI te krijgen. Dit leidt in deze sector ook tot een bovengemiddeld ziekteverzuim en beroep op de WAO.
Om een doeltreffende aanpak op maat te ontwikkelen is eerst in een aantal pilot-projecten onderzocht op welke wijze deze klachten aan het bewegingsapparaat het best verminderd kunnen worden. De ervaringen uit deze pilots zijn vertaald naar een convenant waarin onder andere is bepaald dat het aantal werknemers dat een verhoogd risico loopt op RSI aan het eind van de looptijd met 20% moet zijn gedaald.
Gerichte aanpak van RSI in convenanten: De Kappersbranche
Een ander voorbeeld van een ambitieuze kwantitatieve doelstelling op RSI is de kappersbranche. In deze branche heeft 49% van het personeel te maken met RSI-klachten. Afgesproken is dat voor de afloop van het convenant de RSI-klachten onder kappers met 25% moeten zijn gereduceerd.
Er worden vergaande maatregelen genomen om deze doelstelling te realiseren. Zo wil men binnen een jaar nieuwe regels opstellen over reguliere pauzes. Vervolgens zullen binnen twee jaar ergonomische normen worden opgesteld voor kappersmaterialen, zoals voor schaar, kappersfiets, pompstoel en wasbak. Deze normen zullen uiteindelijk vastgelegd worden in een beleidsregel en in de CAO.
Gerichte aanpak van RSI in convenanten: Het Bankwezen
In het arboconvenant Bankwezen zijn opvallende afspraken gemaakt ter preventie van RSI. Men streeft ernaar de afwisseling voor beeldschermwerkers te vergroten door invoering van variatie in taken, door het creëren van regelmatige pauzes (telkens na ten hoogste twee uur) en door het beeldschermwerk op 5 uur per dag te maximeren. Die doelstelling is ambitieus, zeker gezien het feit dat het aantal uren dat werknemers achter een beeldscherm doorbrengen de afgelopen jaren alleen maar is toegenomen.
Van deze maatregelen mag zeker een belangrijk effect worden verwacht, aangezien uit onderzoek van de Arbeidsinspectie blijkt dat het aantal werknemers met RSI-klachten bij een toenemend aantal uur beeldschermwerk stijgt. Daarnaast zullen alle werkplekken waar meer dan twee uur beeldschermwerk per dag wordt verricht, worden voorzien van pauzesoftware.
In dertig van de afgesloten arboconvenanten zijn specifieke afspraken gemaakt over de aanpak van fysieke belasting / tillen. De afspraken in arboconvenanten hebben betrekking op het tillen van te zware lasten, maar ook onderwerpen als duwen en trekken van lasten of belastende werkhoudingen spelen bij enkele convenanten een rol.
Beleidsregels om fysieke belasting te beperken: De Zorg
In verschillende Zorgsectoren zijn ambitieuze afspraken gemaakt over het terugdringen van de fysieke belasting. Zo wordt – om een reductie in blootstelling te bereiken – een actief bronbeleid gestimuleerd, waarmee specifieke oorzaken van fysieke belasting worden aangepakt. Deze ontwikkeling betekent een cultuuromslag van training in tiltechnieken naar het voorkomen van tilhandelingen.
Daarnaast is afgesproken dat er functionele richtlijnen in de Zorg worden vastgesteld (zogenaamde praktijkregels), gebaseerd op algemeen erkende gezondheidskundige uitgangspunten.
Met meerdere Zorgsectoren is afgesproken dat een deel van bovengenoemde praktijkregels die door sociale partners zijn vastgesteld, door SZW zal worden opgenomen in een beleidsregel fysieke belasting die van toepassing is op alle sectoren in de Zorg.
Beleidsregels om fysieke belasting te beperken: De Bouwnijverheid
Ook in het kader van het convenant met de Bouwnijverheid is afgesproken tot een beleidsregel over fysieke belasting te komen. Kern van de beleidsregel is een tilnorm van (maximaal) 25 kilo door één persoon. Voor een aantal beroepsgroepen zijn specifieke normen geformuleerd.
Vanuit gelijkheidsoverwegingen is besloten de reikwijdte van deze beleidsregel niet te beperken tot de Bouwnijverheid, maar voor de bouwplaats als geheel te laten gelden, waardoor ook andere sectoren aan de beleidsregel gebonden zijn. Naar aanleiding van reacties uit de diverse betrokken sectoren is het concept van de beleidsregel aangepast.
Voorts is in het bouwconvenant afgesproken dat de aanbevelingen op het terrein van fysieke belasting uit de bestaande en toekomstige A-bladen van de stichting Arbouw zullen worden geïmplementeerd. Voor afloop van het convenant moet 90% van de risicopopulatie bekend zijn met de risico's en het voorkomen ervan. Er is tevens een vermindering van het aantal werknemers met klachten met ten minste 10% overeengekomen.
In negen van de afgesloten arboconvenanten zijn specifieke afspraken gemaakt over de aanpak van schadelijk geluid.
Het eerste 'geluidsconvenant': de Papier- en Kartonindustrie
In het arboconvenant voor de Papier- en Kartonindustrie is afgesproken dat het aantal werknemers dat onbeschermd blootstaat aan schadelijk geluid zo veel mogelijk zal worden teruggedrongen. Dat doel moet bij voorkeur worden gerealiseerd door verlaging van het geluidsniveau op de werkplek na te streven, zo mogelijk tot beneden de schadegrens van 80 dB(A). Waar dat niet mogelijk is, moet in ieder geval passende gehoorbescherming worden toegepast.
Om ondernemers te helpen de beschikbare middelen voor het bestrijden van schadelijk geluid zo effectief mogelijk in te zetten, is een handzaam instrument ontwikkeld, het zogenaamde 'beslissingsprotocol'. Dit protocol maakt het mogelijk de kosten en te verwachten effecten van maatregelen op een objectieve wijze te kwantificeren en te wegen.
Het instrument bestaat uit twee delen. Op basis van een aantal criteria wordt een zogenaamde 'geluidsreductiefactor' bepaald van de maatregelen waarover een beslissing moet worden genomen. Daarnaast zijn twee grenswaarden vastgesteld, aan de hand waarvan kan worden bepaald of de maatregelen al dan niet kunnen worden uitgevoerd, dan wel dat nader onderzoek nodig is om tot een beslissing te komen.
Is de geluidsreductiefactor groter dan de hoogste grenswaarde, dan moet de maatregel worden uitgevoerd. Een maatregel met een geluidsreductiefactor kleiner dan de laagste grenswaarde is te weinig kosten-effectief, en behoeft niet te worden uitgevoerd. Bij maatregelen waarvan de geluidsreductiefactor tussen beide grenswaarden in ligt, is nader onderzoek noodzakelijk.
Het beslissingsprotocol is opgenomen in het implementatiehandboek, dat de stappen beschrijft die een bedrijf moet nemen om te voldoen aan de afspraken in het convenant.
Hoewel het protocol is ontwikkeld in het kader van het convenant voor de Papier- en Kartonindustrie, is het niet branchespecifiek en leent het zich voor algemene toepassing bij besluitvorming over investeringen in lawaaibestrijdingsmaatregelen.
In negen van de afgesloten arboconvenanten zijn specifieke afspraken gemaakt over de aanpak van oplosmiddelen. Oplosmiddelen zijn vluchtige (makkelijk verdampende) stoffen waarin andere stoffen oplossen. In Nederland worden naar schatting een half miljoen mensen regelmatig blootgesteld aan organische oplosmiddelen tijdens het uitoefenen van hun beroep.
Beroepsmatige blootstelling aan oplosmiddelen kan leiden tot schade aan het zenuwstelsel. De klachten die met deze aandoening samenhangen, worden aangeduid met Organisch Psycho Syndroom (OPS). Vervanging van producten die veel oplosmiddelen bevatten door minder schadelijke producten wordt beschouwd als de meest adequate maatregel ter preventie van OPS.
De aanpak van OPS: bestrijding bij de bron:
Vervangingsplicht van oplosmiddelen in de Afbouw/ Schilderssector
Op 1 januari 2000 is na een lange voorbereidingsperiode een vervangingsplicht van kracht geworden, waarin is vastgelegd dat uitsluitend watergedragen verven mogen worden gebruikt in binnensituaties. Deze vervangingsplicht heeft met name consequenties voor Schildersbedrijven in de Afbouwsector. Sociale partners in deze sector hebben zich maximaal ingespannen om de vervangingsplicht te implementeren.
Onderzoek van de Arbeidsinspectie heeft uitgewezen dat de vervangingsplicht in 90% van de gevallen wordt nageleefd. In het verlengde van deze vervangingsplicht hebben partners in het convenant voor de Bouwnijverheid vastgelegd dat ook voor andere beroepen en situaties zal worden nagegaan welke mogelijkheden tot vervanging er zijn. Als kwantitatief doel is geformuleerd dat aan het einde van het convenant 50% minder werknemers blootstaan aan oplosmiddelen door vervanging van oplosmiddelrijke producten. Daarnaast moet voor alle producten die oplosmiddelen bevatten bekend zijn welke vervangingsmogelijkheden er zijn.
De aanpak van OPS: bestrijding bij de bron:
Vervanging en signalering in de Grafimediabranche
De Grafimedia-branche is eveneens een bedrijfstak waar van oudsher veel met oplosmiddelhoudende producten wordt gewerkt. Zowel voor de inkten als voor de schoonmaakmiddelen is het gebruik van oplosmiddelen niet te vermijden. In overleg met sociale partners in de sector is per 1 oktober 2000 een vervangingsregeling in werking getreden, waarbij eisen worden gesteld aan het maximum gehalte aan oplosmiddelen in reinigingsmiddelen en inkten.
In aanvulling op dit wettelijke traject zijn in het convenant voor de Grafimedia-branche ook kwantitatieve doelen geformuleerd die het gebruik van schadelijke oplosmiddelen verder kunnen terugdringen. Vast staat dat voorlichting over veilige werkmethoden een belangrijke rol speelt bij het terugdringen van de blootstelling aan oplosmiddelen.
Om de werkgever meer houvast bij deze ingewikkelde problematiek te bieden, zal een brochure worden samengesteld met praktische handreikingen ten behoeve van de ventilatie van de werkruimte in de offset- en zeefdrukkerijen.
Ook het vroegtijdig signaleren van symptomen bij werknemers die werken met oplosmiddelen is een belangrijk instrument bij de preventie van OPS. Daarom zijn in dit convenant afspraken gemaakt over het invoeren van Periodiek Arbeids Gezondheidskundig Onderzoek (PAGO), en het bijscholen van bedrijfsartsen op dit onderdeel.
In negen van de afgesloten arboconvenanten zijn specifieke afspraken gemaakt over de aanpak van allergenen. Allergenen zijn stoffen die een allergische reactie kunnen veroorzaken op de huid of de luchtwegen.
Allergene stoffen die beroepseczeem kunnen veroorzaken zijn bijvoorbeeld bepaalde metaalionen, stoffen van plantaardige of dierlijke oorsprong, conserveermiddelen, en epoxyharsen. Ook irriterende stoffen of invloeden, bijvoorbeeld oplosmiddelen, desinfectantia, zepen, en "nat werk" zijn belangrijke veroorzakers van huideczeem.
De belangrijkste veroorzakers van beroepsastma, zijn organisch stof (bijvoorbeeld meelstof), enzymen, latex, diisocyanaten en anhydriden.
Enkele honderdduizenden werknemers werken met deze stoffen en lopen daardoor kans op het ontwikkelen van huideczeem of astma. Contact met een allergene stof kan een overgevoeligheid (sensibilisatie) veroorzaken die ertoe leidt dat op den duur zelfs bij blootstelling aan een zeer lage concentratie van deze stof een allergische reactie wordt uitgelokt. Een werknemer die een dergelijke overgevoeligheid al ontwikkeld heeft, zal vaak zijn werk niet kunnen voortzetten omdat er in de praktijk altijd enige blootstelling op zal treden. Het is dus belangrijk het optreden van sensibilisatie te voorkomen.
De vele gedaanten van allergene stoffen: Latex in de Gezondheidszorg
In 2001 zijn twee onderzoeken gepubliceerd waaruit blijkt dat latexallergie vooral een probleem is in de Gezondheidszorg. De inzichten uit deze onderzoeken zijn gebruikt bij de totstandkoming van convenanten met de Ziekenhuizen en de Academische Ziekenhuizen. Afgesproken is het gebruik van gepoederde handschoenen te staken en over te gaan op handschoenen met een lager latexgehalte. Bovendien worden de mogelijkheden voor het gebruik van latexvrije handschoenen onderzocht. De resultaten van de convenanten met de (Academische) Ziekenhuizen kunnen ook in andere relevante sectoren binnen de Gezondheidszorg gebruikt worden.
De vele gedaanten van allergene stoffen: Irriterende stoffen bij de Kappers
De Kappersbranche is een van de bedrijfstakken waarin huideczeem veel voorkomt. Dat komt doordat kappers in hun vak te maken hebben met een scala aan stoffen en invloeden die slecht zijn voor de huid. Blondeermiddelen, haarverven en permanenten kunnen allergieën veroorzaken. Maar ook het lang met de handen in het water zitten veroorzaakt een zwakke huid en op den duur eczeem. Er is een convenant getekend waarin ruime aandacht aan dit onderwerp wordt geschonken.
In het Kappersconvenant zijn ambitieuze doelstellingen opgenomen: een reductie van het optreden van handeczeem onder kappers met tenminste 40% en het terugbrengen van het aantal nieuwe gevallen van handeczeem onder kappers tot ten hoogste 50%. Om deze doelen te realiseren is een uitgebreide lijst met maatregelen afgesproken. Met sociale partners is overeengekomen dat SZW de aanpassingen van werkwijzen en productgebruik waar mogelijk vastlegt in beleidsregels.
In twee van de afgesloten arboconvenanten zijn specifieke afspraken gemaakt over de aanpak van kwartsstof. Kwarts is een natuurlijk voorkomende stof in bijvoorbeeld zand en natuursteensoorten. Zand is een belangrijke grondstof bij de productie van steenachtige bouwmaterialen, zoals beton, cement, bakstenen. Bij mechanische bewerkingen, zoals zagen, schuren, boren en slijpen van deze materialen, komt stof vrij waarin het kwarts aanwezig is.
Kwartshoudend stof dat als zodanig vrij kan komen, kan vervolgens worden ingeademd tot diep in de longen (respirabel) en daar schade veroorzaken. Dit kan leiden tot longziekten zoals silicose (stoflongen), tuberculose of longkanker.
Respirabel kwarts is opgenomen op de lijst van kankerverwekkende stoffen.
Afspraken over kwarts in de sectoren Bouw en Afbouw
Bijna de helft van de werknemers in de Bouwnijverheid heeft hinder van stof op de arbeidsplaats, dat voor een deel kwarts bevat. Dit percentage ligt significant hoger dan bijvoorbeeld in de industrie.
Vanwege de aanzienlijke blootstelling aan respirabel kwarts in de Bouwnijverheid, is per 1 januari 2001 de wettelijke grenswaarde voor deze sector met de helft verlaagd. Daarnaast is met ingang van diezelfde datum een beleidsregel in de bouw van kracht geworden, op basis waarvan technische maatregelen worden geëist bij risicovolle mechanische bewerking (zoals boren, zagen en schuren) van kwartshoudende materialen. Met de Arboconvenant in deze sectoren wordt onder meer beoogd deze technische maatregelen (verder) te ontwikkelen. Succesvol ontwikkelde 'beheerstechnieken' zullen vervolgens worden omgezet in een beleidsregel.
Gedifferentieerde aanpak van kwartsstof in de Bouwnijverheid
In het convenant Bouw zijn ambitieuze doelstellingen opgenomen ten aanzien van de terugdringing van kwarts. Zo moeten voor afloop van het convenant voor 90% van de werkzaamheden adequate technieken voor het beheersen van kwartsstof beschikbaar zijn. Om deze kwantitatieve doelen te realiseren, zijn afspraken gemaakt over diverse technische en organisatorische maatregelen, zoals aanpassing van scholingsprogramma's, een communicatiecampagne en instructie van Arbodiensten.
Een meer fundamentele aanpak is de benadering van opdrachtgevers, vergunningverleners, ingenieursbureaus en architecten om structureel aandacht te geven aan het verplichte Veiligheids- en Gezondheidsplan bij de voorbereiding van bouw-, renovatie- en sloopprojecten. Daarnaast zal in overleg met deze groepen worden verkend welke mogelijkheden er zijn om bij planning van projecten mechanische bewerkingen op locatie zo veel mogelijk overbodig te maken.
In achtenveertig van de afgesloten arboconvenanten zijn specifieke afspraken gemaakt over (vroegtijdige) reïntegratie. In vier tweedefaseconvenanten zijn afspraken gemaakt over reïntegratie vanuit de WAO. Onder het begrip vroegtijdige gaat het meestal om kwantitatieve afspraken over de reductie van ziekteverzuim. Ongeveer de helft van alle eerstefaseconvenanten bevat onder de noemer vroegtijdige reïntegratie ook afspraken over de reductie van de WAO-instroom.
In veel van de convenanten is een kwantitatieve doelstelling opgenomen over het ziekteverzuim in de branche. Daarnaast zijn in een aantal convenanten kwantitatieve doelstellingen geformuleerd over het terugdringen van de WAO-instroom. De afspraken die tot nu toe in arboconvenanten zijn gemaakt om dergelijke doelstellingen ook daadwerkelijk te realiseren, verschillen sterk. Gemene deler is: afspraken over goede verzuimregistratie, snellere en effectievere begeleiding van verzuimende werknemers en het geven van een impuls aan de kwaliteit van de Arbo-dienstverlening.
Maatregelen verzuimbegeleiding en vroegtijdige reïntegratie
Om branches te helpen bij hun keus voor effectieve maatregelen is in opdracht van SZW een overzicht Maatregelen verzuimbegeleiding en vroegtijdige reïntegratie ontwikkeld. De handleiding 'Branche aanpak arbo – verzuim – reïntegratie' geeft handreikingen en praktische voorbeelden die vooral voor convenanten met veel MKB-bedrijven inspirerend kunnen werken.
Zie voor een overzicht van de verschillende afspraken de Jaarrapportage arboconvenanten 2004.
| Afgesloten in 1999 (1e fase) |
Branche | Looptijd | Onderwerpen |
| Thuiszorg | 03.03.1999 – 03.03.2004 | Fysieke belasting, werkdruk en vroegtijdige reïntegratie | |
| Kinderopvang en peuterspeelzalen | 20.12.1999 – 01.01.2005 | Fysieke belasting | |
| Afgesloten in 2000 (1e fase) |
Arbovoorlichters in de bouwnijverheid | 28.03.2000 – 01.09.2004 | Voorlichting |
| Onderwijs pilot poortwachter | 22.05.2000 – 01.03.2001 | Vroegtijdige reïntegratie | |
| Horeca | 31.05.2000 – 31.05.2004 | Werkdruk | |
| Onderwijs POVO | 28.11.2000 – 01.12.2004 | Werkdruk en vroegtijdige reïntegratie | |
| Onderwijs HOO | 28.11.2000 – 01.12.2004 | Werkdruk en vroegtijdige reïntegratie | |
| Onderwijs BVE | 28.11.2000 – 01.12.2004 | Werkdruk en vroegtijdige reïntegratie | |
| Afgesloten in 2001 (1e fase) |
Academische ziekenhuizen | 16.01.2001 – 31.12.2003 | Fysieke belasting, werkdruk, RSI, allergenen, narcosegassen, cytostatica, agressie en geweld en vroegtijdige reïntegratie |
| GGZ | 18.01.2001 – 01.07.2004 | Fysieke belasting, werkdruk, allergenen, agressie en geweld en vroegtijdige reïntegratie | |
| Dakdekkers | 20.01.2001 – 01.09.2004 | Fysieke belasting, arbeidsveiligheid en voorlichting | |
| Rijksoverheid | 04.04.2000 – 01.07.2004 | Werkdruk, RSI en vroegtijdige reïntegratie | |
| Woningcorporaties | 06.06.2001 – 01.07.2004 | Werkdruk, RSI en vroegtijdige reïntegratie | |
| Gehandicaptenzorg | 04.07.2001 – 01.07.2004 | Fysieke belasting, werkdruk, allergenen, agressie en geweld en vroegtijdige reïntegratie | |
| Gemeenten | 09.07.2001 – 09.07.2004 | Fysieke belasting, RSI, werkdruk, agressie en geweld en vroegtijdige reïntegratie | |
| Politie | 16.08.2001 – 01.07.2004 | Werkdruk en vroegtijdige reïntegratie | |
| Bouwnijverheid | 02.10.2001 – 02.10.2005 | Fysieke belasting, werkdruk, kwarts en oplosmiddelen | |
| Grafimedia | 09.10.2001 – 09.10.2005 | RSI, werkdruk, oplosmiddelen en vroegtijdige reïntegratie | |
| Papier- en kartonindustrie | 01.11.2001 – 31.10.2006 | Werkdruk, oplosmiddelen, geluid, klimaat, machineveiligheid en vroegtijdige reïntegratie | |
| Banken | 22.11.2001 – 31.12.2004 | RSI, werkdruk en vroegtijdige reïntegratie | |
| Kappers | 17.12.2001 – 17.12.2005 | Fysieke belasting, allergenen en vroegtijdige reïntegratie | |
| Ziekenhuizen | 19.12.2001 – 01.07.2004 | Fysieke belasting, werkdruk, RSI, allergenen, agressie en geweld en vroegtijdige reïntegratie | |
| Afgesloten in 2002 (1e fase) |
Sociale werkvoorziening | 02.04.2002 – 02.04.2006 | Fysieke belasting, werkdruk en vroegtijdige reïntegratie |
| Funderingsbranche | 04.04.2002 – 04.04.2006 | Begaanbaarheid bouwterreinen en geluid | |
| Architecten | 11.04.2002 – 11.04.2005 | RSI, werkdruk en vroegtijdige reïntegratie | |
| Defensie | 24.04.2002 – 24.04.2005 | Fysieke belasting | |
| Podiumkunsten | 15.05.2002 – 15.05.2006 | Fysieke belasting, werkdruk, geluid en vroegtijdige reïntegratie | |
| Vleesindustrie | 05.06.2002 – 05.06.2006 | RSI en vroegtijdige reïntegratie | |
| > |
Agrarische sectoren | 02.07.2002 – 31.12.2006 | Fysieke belasting, werkdruk en vroegtijdige reïntegratie |
| Verf- en drukinktindustrie | 27.08.2002 – 01.05.2005 | Oplosmiddelen | |
| Industriële reiniging en scheepsonderhoud | 11.09.2002 – 11.09.2005 | Fysieke belasting, oplosmiddelen, allergenen, legionella en vroegtijdige reïntegratie | |
| Meubelindustrie | 09.10.2002 – 31.12.2006 | Fysieke belasting, oplosmiddelen en vroegtijdige reïntegratie | |
| Openbare bibliotheken | 10.10.2002 – 10.10.2005 | Fysieke belasting, werkdruk en vroegtijdige reïntegratie | |
| Orkesten | 07.11.2002 – 31.12.2005 | Geluid | |
| Wasserijen en textielreinigingsbedrijven | 22.11.2002 – 01.07.2006 | Fysieke belasting, werkdruk, geluid, klimaat, biologische agentia, cytostatica en arbo-infrastructuur | |
| Wonenbranche | 04.12.2002 – 30.09.2006 | Fysieke belasting, werkdruk, oplosmiddelen en vroegtijdige reïntegratie | |
| Timmerindustrie | 11.12.2002 – 31.12.2006 | Fysieke belasting, werkdruk, geluid en houtstof | |
| Uitgeverijbedrijf | 17.12.2002 – 31.12.2006 | Werkdruk, RSI en vroegtijdige reïntegratie | |
| Afgesloten in 2003 (1e fase) |
Branche | Looptijd | Onderwerpen |
| Afbouw en onderhoud | 18.02.2003 – 31.12.2006 | Fysieke belasting, kwarts, afgeschermd buitenschilderwerk en vroegtijdige reïntegratie | |
| Provincies | 27.02.2003 – 30.06.2006 | Werkdruk, RSI, verzuimbeleid en vroegtijdige reïntegratie | |
| Houthandel | 28.05.2003 – 01.07.2006 | Fysieke belasting, werkdruk, schadelijk geluid, houtstof en reïntegratie | |
| Maalindustrie en bakkerijgrondstoffen industrie | 04.06.2003 – 31.12.2006 | Grondstofallergie | |
| Uitzendbranche | 20.08.2003 – 01.07.2006 | Arbopreventie, ziekteverzuim en vroegtijdige reïntegratie | |
| Koek en snoep | 05.12.2003 – 01.07.2006 | RSI, werkdruk en vroegtijdige reïntegratie | |
| Zorgverzekeraars | 09.12.2003 – 31.12.2006 | RSI, werkdruk en vroegtijdige reïntegratie | |
| Welzijn | 10.12.2003 – 31.12.2006 | Werkdruk, agressie en onveiligheid en vroegtijdige reïntegratie | |
| Jeugdhulpverlening | 10.12.2003 – 31.12.2006 | Werkdruk, agressie en onveiligheid, fysieke belasting en vroegtijdige reïntegratie | |
| Mobiliteitsbranche | 19.12.2003 – 01.07.2006 | Werkdruk, fysieke belasting, schadelijk geluid en oplosmiddelen | |
| Afgesloten in 2003 (2e fase) |
Schoonmaak- en glazenwassersbranche | 09.04.2003 – 01.07.2006 | Fysieke belasting, werkdruk, oplosmiddelen en allergenen, biologische agentia, cytostatica en arbobeleid, verzuimbegeleiding en vroegtijdige reïntegratie |
| Gemeenten | 25.09.2003 – 31.12.2005 | Reïntegratie 2e spoor | |
| Grafimedia | 09.12.2003 – 09.12.2006 | Reïntegratie vanuit de WAO | |
| Afgesloten in 2004 (1e fase) |
>Installatie- en isolatiebranche | 02.04.2004 – 31.12.2006 | Fysieke belasting, werkdruk en vroegtijdige reïntegratie |
| Ambulancezorg | 08.04.2004 – 30.06.2007 | Fysieke belasting, werkdruk, agressie en geweld en vroegtijdige reïntegratie | |
| Afgesloten in 2004 (2e fase) |
Academische ziekenhuizen | 09.01.2004 – 01.07.2007 | Fysieke belasting, werkdruk en vroegtijdige reïntegratie |
| Agrarische sectoren | 22.01.2004 – 01.03.2007 | Vroegtijdige reïntegratie en reïntegratie vanuit de WAO (/ WAZ) | |
| Rijksoverheid | 22.06.2004 – 30.06.2007 | Reductie langdurig verzuim | |
| Politie | 08.07.2004 – 01.07.2007 | Vroegtijdige reïntegratie en reïntegratie vanuit de WAO | |
| Onderwijs PO/VO | 08.11.2004 – 01.07.2007 | Vroegtijdige reïntegratie, agressie en geweld | |
| Recreatie | 09.12.2004 – 01.07.2007 | Vroegtijdige reïntegratie, fysieke belasting, agressie en geweld, klimaat, geluid en stoffen | |
| Uitgeverijbedrijf | 14.12.2004 – 30.06.2007 | Vroegtijdige reïntegratie en reïntegratie vanuit de WAO | |
| Papier en Karton | 15.12.2004 – 30.06.2007 | Vroegtijdige reïntegratie | |
| Onderwijs BVE | 23.12.2004 – 01.07.2007 | Vroegtijdige reïntegratie en psychosociale belasting |
| Getekend in 2004 (2e fase) | Branche | Datum van ondertekening | Onderwerpen in intentieverklaring |
| Beveiligingsbranche | 26.03.2004 | Verzuimbeleid en reïntegratie langdurig zieken, werkdruk en agressie en geweld | |
| Papier- en kartonindustrie | 01.04.2004 | Vroegtijdige reïntegratie en reïntegratie langdurig zieken | |
| Onderwijs POVO | 20.04.2004 | Ziekteverzuim, reïntegratie en agressie en geweld | |
| Dienst Justitiële Inrichtingen | 26.04.2004 | Verzuimbeleid (vroegtijdige reïntegratie en reïntegratie langdurig zieken), integrale personele veiligheid en loopbaanstrategie executief personeel | |
| Kinderopvang | 19.05.2004 | Vroegtijdige reïntegratie, reïntegratie langdurig zieken en werkdruk | |
| Onderwijs BVE | 11.06.2004 | Verzuim en reïntegratiebeleid, in het bijzonder reïntegratie langdurig zieken, en psychosociale arbeidsbelasting | |
| Uitgeverijbedrijf | 24.06.2004 | Verzuim- en reïntegratiebeleid en vermindering WAO-instroom | |
| Uitzendbranche | 30.06.2004 | Reïntegratie vanuit de WAO | |
| Ambulante handel en detailhandel in AGF, bloemen en vis | 01.07.2004 | Vroegtijdige reïntegratie en reïntegratie langdurig zieken, fysieke belasting en agressie en geweld | |
| Taxibranche | 02.07.2004 | Reïntegratie langdurig zieken, reïntegratie vanuit de WAO, fysieke belasting en agressie en geweld | |
| Contractcatering | 05.07.2004 | Vroegtijdige reïntegratie en reïntegratie langdurig zieken, intercollegiale omgangsvormen en werkdruk |
Bedrijfsartsen zijn niet systematisch betrokken geweest bij de arboconvenant trajecten, terwijl hun werkterrein toch direct raakt aan de tripartiete afspraken. Immers: arboconvenanten kunnen een krachtige ondersteuning vormen van de adviezen van de bedrijfsarts, mits deze bekend is met de convenantafspraken. Reden genoeg voor de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB), om - met subsidie van SZW - een project op te zetten dat de convenantkennis bij bedrijfsartsen vergroot. Het project “Bedrijfsarts en arboconvenanten” is in 2004 van start gegaan. Concrete resultaten zijn:
NVAB Handwijzer Branches en aanpak gezondheidsklachten
Op de NVAB website voor bedrijfsartsen; www.nvab-online.nl is de NVAB Handwijzer Branches opgenomen. Daar vindt u wat werkgevers, werknemers en overheid in het kader van de arboconvenanten hebben afgesproken over de aanpak van gezondheidsklachten in een bepaalde branche of sector. Het betreft de volgende klachten:
NVAB Handwijzer Branches: Arboconvenanten en aanpak gezondheidsklachten in sectoren of branches
|
Klachten |
|
Arboconvenant in de sector |
|
||
|
Klachten aan arm, schouder of nek |
|
|
|
||
|
Lage-rugklachten |
|
|
|
||
|
Astma/COPD |
Afbouw en onderhoud |
Bouwnijverheid |
Bakkerij/ Meelverwerkende industrie |
||
|
Oog- en beeldschermwerk |
Bankwezen |
|
|
||
|
Psychische klachten |
|
|
|
||
SZW gaf in 2003 opdracht onderzoek te verrichten naar de ontwikkeling van het arbo- en verzuimbeleid van werkgevers, van de blootstelling aan arbeidsgebonden gezondheidsrisico's en van ziekteverzuim en WAO-instroom in convenantsectoren in vergelijking met die in niet-convenantsectoren. De onderzoekers concluderen dat:
Hier volgt uit de Jaarrapportages arboconvenanten 2003 en 2004 de resultaten in enkele convenanttrajecten. Het beeld is niet volledig, maar de beschrijving geeft een goede indruk van de impact die arboconvenanten hebben en van de veranderingsprocessen die zij in die sectoren in gang hebben gezet.
Ten aanzien van de doelrealisatie constateren de onderzoekers het volgende:
De Monitor Arboconvenanten
Voor het verzamelen van informatie over de mate waarin de doelstellingen van een convenant worden bereikt, heeft SZW een uniform meetinstrument laten ontwikkelen, in de vorm van een schriftelijk bij werknemers af te nemen vragenlijst die bestaat uit verschillende modules: de Monitor Arboconvenanten (MA). De Monitor Arboconvenanten (MA) is een bijzonder meetinstrument: een gestandaardiseerde werknemersvragenlijst waarmee elke willekeurige sector de relevante kenmerken van blootstelling aan arbeidsrisico's en de mogelijke gevolgen daarvan in termen van klachten en beperkingen in kaart kan brengen. In diverse convenanttrajecten hebben partijen de voordelen van de MA al ontdekt.
De vragenlijst
Met behulp van enquêtering met de MA kan op werknemersniveau de blootstelling aan diverse arbeidsrisico's, de klachten en beperkingen die daarvan het gevolg zijn, en de omvang van het ziekteverzuim worden vastgesteld. De MA omvat de volgende modules:
De modules kunnen – afhankelijk van de specifieke situatie in de sector – naar keuze ingezet worden. Bovendien is het altijd mogelijk om vragen toe te voegen door modules uit te breiden dan wel geheel nieuwe onderwerpen op te nemen. Zo kunnen uniformiteit en maatwerk worden gecombineerd.
Zie voor meer informatie het Arboplatform van SZW: www.arboconvenanten.szw.nl , Instrumenten; Monitor Arboconvenanten. ; Instrumenten; Monitor Arboconvenanten.
Een aantal Arboconvenanten zijn inmiddels beëindigd en geëvalueerd. Zie voor deze Eindevaluaties de website; www.arboconvenanten.szw.nl; doorklikken op Naslag; Eindrapportages.
Het betreft:
Einde Arboconvenanten
Alle convenantstrajecten zullen op of voor 1 juli 2007 zijn beëindigd. Daarna volgt nog een half jaar voor de financiële afwikkeling en de finale eindevaluatie van de convenantenaanpak. Tussentijds zullen ook al uitkomsten te melden zijn. (Zie: Activiteiten en resultaten van convenantstrajecten in verschillende sectoren en Eindevaluaties Arboconvenanten).