Door middel van fotopatchtests is onderzoek naar betrokkenheid van eventuele fotoreactieve stoffen mogelijk.
De laatste jaren beseft men dat regelmatige blootstelling aan zonlicht en kunstmatige lichtbronnen om bruin te worden (kunst-zonlicht) schadelijke gevolgen kan hebben.
De gevolgen voor de huid van blootstelling aan (kunst) zonlicht kunnen ingedeeld worden in:
Lichtovergevoeligheid
Er is sprake van lichtovergevoeligheid indien de huid abnormaal reageert op een normale blootstelling aan (kunst)zonlicht. Oorzaken:
Veel huidziekten verbeteren door licht. . Sommige huidziekten verergeren echter door zonlicht. Een bekend voorbeeld van dit laatste is Lupus Erythematosus (LE).
Beroepen met beroepsgebonden huidaandoeningen
Uit het bovenstaande valt af te leiden dat buitenwerkers, lassers, drukkers, mensen met beroepsmatig contact met planten of betrokken bij de productie van bovengenoemde stoffen een verhoogd risico lopen op beroepsgebonden aandoeningen door zonlicht.
Indeling van deze pagina
1.1. Gevolgen.
De gevolgen voor de huid van blootstelling aan (kunst) zonlicht kunnen ingedeeld worden in:
1.2. Reacties als gevolg van overmatige blootstelling
De gevolgen van overmatige blootstelling aan (kunst)zonlicht zijn in te delen in acute en lange termijngevolgen.
Acute gevolgen
Het acute gevolg van overmatige blootstelling aan ultraviolet licht is de zonnebrandreactie. De huid is rood, gezwollen en gevoelig bij aanraking en warmte. In ernstige gevallen kunnen blaren optreden. Deze reactie wordt
voornamelijk veroorzaakt door het kortgolvig ultraviolet licht (UVB-licht). De roodheid begint na 3-5 uur.
Lange termijn gevolgen
De lange termijn gevolgen zijn in te delen in vroegtijdige veroudering van de huid en huidkanker.
Vroegtijdige veroudering van de huid
Onder vroegtijdige veroudering van de huid wordt verstaan een combinatie van de volgende kenmerken:
- vermindering van elasticiteit, (rimpels).
- vlekkerige verkleuring met (bleekgele en/of soms witte vlekken) teveel en/of te weinig pigmentvorming.
- uitgezette bloedvaatjes
Bron: www.huidinfo.nlDeze afwijkingen worden veroorzaakt door UVB-licht en waarschijnlijk ook door UVA-licht. Een huid die overmatig (aan (kunst)zonlicht is blootgesteld is vaak droog, bleekgeel van kleur en voelt leerachtig aan. Met name in het gelaat en de hals/nek ontstaan toenemend rimpels en kleine vaatverwijdingen.
Huidkanker
Dit laatste onderwerp staat uitvoerig beschreven onder “beroepsgebonden huidkanker”.
Afbeeldingen van basaalcelkanker, plaveiselcelkanker en melanoom zijn te vinden op de website www.huidinfo.nl
1.3. Abnormale reacties op een normale blootstelling aan (kunst) zonlicht: fotoreacties.
Huidtoxische en allergische contactstoffen kunnen contacteczeem veroorzaken (Bruynzeel, 2002). Sommige stoffen kunnen dit slechts met behulp van lichtenergie. Lichtenergie is nodig om deze stoffen zodanig te koppelen aan eiwitten in de huid dat ze een volwaardig antigeen worden. Behalve contactstoffen doen sommige stoffen dit ook wanneer ze systematisch worden toegediend. We zien dit effect bij een aantal geneesmiddelen optreden. De klinische reactie die ontstaat lijkt meestal op ernstige zonnebrand.
We onderscheiden fototoxische en fotoallergische reacties. Zowel fototoxische als fotoallergische reacties veroorzaken eczeem als gevolg van inwerking van ultraviolet licht, soms ook door zichtbaar licht, in combinatie met een chemische stof. Het contact met deze stof kan direct zijn, maar gasvormig en zwevend materiaal kan deze reacties ook veroorzaken. De verschillen worden in de volgende tabel weergegeven.
|
|
fotoallergisch
|
fototoxisch
|
|
Incidentie
|
Laag
|
Hoog
|
|
Optreden na 1e blootstelling
|
Nee
|
Ja
|
|
Start na UV blootstelling
|
24-48 uur
|
Minuten tot dagen
|
|
Dosisafhankelijkheid
Chemisch
Straling
|
Niet cruciaal
Niet cruciaal
|
Belangrijk
Belangrijk
|
|
Klinisch beeld
|
Eczemateus
Bulleus
Ecz. Pigmentatie
lichenoid
|
Erytheem en urticarieel
Papuleus
Pseudoporfyrische pigmentatie
|
|
Blootstellingsroute
Topisch
Systemisch
|
Veelvuldig
ongewoon
|
Veelvuldig
Veelvuldig
|
Bron: De Leo V. In: Handbook of Occupational Dermatology 2000
Indien UV-A een rol speelt, en dat is vaak het geval, vertelt de patiënt dat ook achter glas klachten optreden. Vensterglas laat over het algemeen wel UV-A, maar niet UV-B licht door (Bruynzeel, 2002).
Een bekende fototoxische dermatitis is de Berloque dermatitis, veroorzaakt door bergapten (5-methoxypsoraleen, een furocoumarine), een bestanddeel van bergamot olie, gebruikt in parfums. Het resultaat zijn gehyperpigmenteerde maculae op de plaats van de parfumapplicatie. Nadat in de Verenigde staten het gebruik hiervan aan banden is gelegd komt de aandoening daar nauwelijks meer voor (Ai-lean Chew, 2005).
De belangrijkste fotoallergenen vindt men onder een aantal geneesmiddelen, parfums en UV-filters (zonnebrandpreparaten).
|
Schermbloemigen
|
Bereklauw
Engelwortel
Kervel
Pastinaak
Selderij
Dille
Lavas
Peterselie
Anijs
|
|
Ruitfamilie
|
Citrusfruit
Vuurwerkplant (dictamnus)
Wijnruit
|
|
Overigen
|
Vijg
Sint Janskruid
Boekweit
|
Tabel : de in Nederland meest voorkomende planten (wild en gekweekt) die in staat zijn een fytofotodermatitis te veroorzaken.
Bronnen:
Toonstra J, Van Weelden H: Licht en Huid, Glaxo, Zeist 1994
Lovell CR: Plants and the skin, Blackwell scientific publications, London 1993
Naast deze sensitiviteitsreacties op licht zijn er nog enkele dermatosen die een relatie hebben met licht. Deze worden belicht bij Differentiaal diagnose.
1.4. Differentiaal diagnose
1.5. Prognose
De prognose hangt uiteraard af van oorzaak en de aard van het beroep. Als de diagnose fotosensitiviteitsreactie is gesteld zal de patiënt een adequaat advies dienen te krijgen over de wijze waarop de verantwoordelijke contactstof te vermijden valt (Bruynzeel, 2002).
Enkele patiënten met een fotosensitiviteit blijven eczeem houden, ook nadat het contact met het fotoallergeen verbroken is; deze patiënten worden aangeduid als persistent light reactors. Ze lijken op een groep patiënten die in de 60er jaren in de VS werden gezien met een fotoallergie voor gehalogeneerde salicylanilides (zeep). Deze groep is vaak dusdanig gehandicapt dat overdag buiten komen praktisch onmogelijk is. De behandeling is erg moeilijk en langdurig.
De meeste stoffen die fotoreacties kunnen veroorzaken worden gebruikt in consumentenproducten of betreft geneesmiddelen. Buitenwerkers die deze gebruiken lopen in principe een risico. Daarnaast kan op de werkplek de combinatie van zonlicht en fototoxische of fotoallergische stoffen contactdermatitis veroorzaken.
Een fototoxische reactie berust op een chemisch geïnduceerde, niet-immunologische huidreactie, meestal onder invloed van licht uit het UVA spectrum. Celdood treedt op na celwand-en DNA beschadigingen. De chemicaliën die fototoxische eigenschappen hebben, zijn in staat om UV-licht te absorberen en in een “aangeslagen staat” te raken, waardoor ze reactief worden. Er is net als bij het irritatieve eczeem een duidelijke dosisafhankelijkheid met betrekking tot lichtexpositie en contact met de chemische stof.
De blootstelling kan direct zijn door contact met bepaalde planten in de natuur (bereklauw), bij boeren en tuinders (selderij), gebruik van industriële zepen en reinigers (de genoemde tetrachlorosalicylanilide en tetrabroomsalicylanilide), gebruik in de sport van deodorant (dichlorophene, in poeder tegen “atlethe's foot”) of bij de productie van deze producten.
Ook aërogene expositie kan leiden tot een fotodermatose. Dit is beschreven bij dakdekkers die al na een kwartier, blootgesteld aan dakleer en zon, last krijgen van een scherp brandende huid, soms ook van conjunctivitis. Kochevar en collega's (1982) identificeerden als allergenen acridine, anthracene, benzopyrene en fluorabthene. Soortgelijke reacties zijn ook beschreven ten gevolge van creosoot in dakbedekking of in bewerkt hout en uiteraard bij parfums.
Beroepen waar de beroepziekte voorkomt:
Door middel van fotopatchtests is onderzoek naar betrokkenheid van eventuele fotoreactieve stoffen mogelijk.
Betrouwbare epidemiologische gegevens met betrekking tot fotosensitiviteitsreacties zijn nauwelijks of niet voorhanden. Het aandeel van fotoreacties in het totaal aantal patiënten dat gezien wordt in verband met handeczeem bedraagt mogelijk enige procenten (Bruynzeel, 2002).
Als de diagnose fotosensitiviteitsreactie is gesteld zal de patiënt een adequaat advies dienen te krijgen over de wijze waarop de verantwoordelijke contactstof te vermijden valt (Bruynzeel, 2002). Dit advies zal sterk afhangen van het beroep en de werkomstandigheden. Naast persoonlijke adviezen en beschermingsmaatregelen zal bezien moeten worden of ook de arbeidssituatie aangepast kan worden. Preventieve maatregelen moeten erop gericht zijn in de arbeidssituatie contact met fotoreactieve stoffen uit te sluiten of zo gering mogelijk te maken. In de persoonlijke sfeer kunnen zonodig handschoenen en speciale pakken gebruikt worden. In sommige gevallen kan antizonnebrandcrème effectief zijn. Bij huidcontact met fotoreactieve stoffen moet de huid zo spoedig mogelijk gereinigd worden en UV-straling worden vermeden.
De ontstekingsreactie kan worden geremd met corticosteroïdcrème en in ernstige gevallen met een korte kuur met prednison tabletten. Kleine blaren kunnen het best intact gelaten worden. Grote blaren kunnen eventueel worden leeggezogen met een injectiespuit. Probeer het blaardak verder zoveel mogelijk intact te laten zodat het als een natuurlijke wondbedekking dienst kan doen. Als het blaardak toch stuk is gegaan is het belangrijk om te voorkomen dat de blaren bacterieel worden geïnfecteerd.
Wanneer een groot deel van de huid door de fytofotodermatitis is aangedaan kan het nodig zijn om de betrokkene op te nemen in het ziekenhuis!
Gepigmenteerde restplekken verdwijnen meestal vanzelf binnen enkele jaren. Bescherming tegen zonlicht kan dit proces soms bespoedigen.
Fotodermatosen komen voor in alle rassen, het meest echter bij mensen met een lichte huidskleur vanwege een grotere gevoeligheid voor zonlicht. Er is geen verschil tussen mannen en vrouwen en kan op elke leeftijd ontstaan. Predisponerende genetische factoren worden in de literatuur niet genoemd.
8.1. Literatuur
Baars AJ, Pelgrom SMGJ, Hoeymans N, Van Raaij MTM (2005). Gezondheidseffecten en ziektelast door blootstelling aan stoffen op de werkplek - een verkennend onderzoek. RIVM rapport 320100001, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven.
Bergdahl IA, Järvholm B. Cancer morbidity in Swedish asphalt workers. Am J Ind Med 2003; 43: 104-108.
Boffetta P, Jourenkova N, Gustavsson P. Cancer risk from occupational environmental exposure to polycyclic aromatic hydrocarbons. Cancer Causes Control 1997; 8: 444-472.
Breslow A. Thickness, cross-sectional areas, and depth of invasion in the prognosis of cutaneous melanoma. Ann Surg 1970; 172: 902-908.
Bruynzeel DP. Fotoreacties. In: Beroepsziekten in de Praktijk. Laan van der G, Pal TM, Bruynzeel DP.. Elsevier Gezondheidszorg, Maarssen 2002: 89-91Burstyn I, Kromhout H, Kauppinen T, Heikkila P, Boffetta P.. Statistical modelling of the determinants of historical exposure to bitumen and polycyclic aromatic hydrocarbons among paving workers. Ann Occup Hyg 2000; 44: 43-56.
Chew A-L, Maibach H. Berloque dermatitis.(te vinden in : http://www.emedicine.com/derm/topic52.htm ; 12 januari 2005)
Deleo V. Occupational phototoxicity and photoallergy. In: Handbook of Occupational Dermatology. Kanerva L, Elsner P, Wahlberg JE, Maibach HI. Springer Verlag 2000: 314-323.
Evans RD, Kopf AW, Lew RA, et al. Risk factors for the development of malignant melanoma-I: review of case-control studies. J Dermatol Surg Oncol 1988; 14: 393-408.
Gawkrodger DJ. Occupational skin cancers. Occup Med 2004; 54: 458-463.
Hertog de SAE, Wensveen CAH, Bastiaens MT et al. Relation between smoking and skin cancer. J Clin Oncol 2001; 19: 231–8.
Kennedy C., Bajdik C.D, Willemze R, Bouwes Bavinck J.N. Chemical exposures other than arsenic are probably not important risk factors for squamous cell carcinoma, basal cell carcinoma and malignant melanoma of the skin.
British Journal of Dermatology 2005; 152: 194-197.Kochevar IE, Armstrong RB, Einbinder J et al. Coal tar phototoxicity: active compounds and action spectra. Photochem. Photobiol. 38: 65-69.
Lautenschlager SL, Wulf HC, Pittelkow MR. Photoprotection. The lancet 2007; 370: 528-537.
Peate WF. Occupational skin disease. Am Fam Physician 2002; 66: 1025-1032.
Preston DS, Stern RS. Nonmelanoma cancers of the skin. N Engl J Med 1992; 327: 1649-1662
Struijk L, ter Schegget J, Bouwes Bavinck JN, Feltkamp MC. Human papillomavirus in the aetiology of skin cancer.Ned Tijdschr Geneesk. 2005; 5;149 : 18-22.Vries E de, Bray FI, Coebergh JW, Parkin DM. Changing epidemiology of malignant cutaneous melanoma in Europe 1953-1997: rising trends in incidence and mortality but recent stabilizations in western Europe and decreases in Scandinavia. Int J Cancer, 2003b; 107(1): 119-126.
8.2. Websites