Zijn alle soorten asbest schadelijk voor de gezondheid?

Inleiding

Tussen diverse asbestsoorten bestaat verschil in carcinogene en fibrinogene potentie. De verschillende asbestsoorten en de bijbehorende gezondheidsproblemen zullen eerst besproken worden. Ook de mogelijke kankerverwekkende eigenschappen van vezels die soortgelijke eigenschappen als asbest hebben en als vervanger van asbest worden gebruikt, komen aan de orde.

Wat is asbest?

Asbest is de verzamelnaam van een groep minerale silicaten die gekenmerkt worden door hun vezelstructuur. Het erts wordt in de open mijnbouw gedolven in Rusland en Canada (samen 78% van de wereldproductie). Kleinere hoeveelheden zijn afkomstig uit Zuid-Afrika, Australië, de Verenigde Staten, Cyprus, Turkije en Italië.

Minerologisch worden twee hoofdvormen onderscheiden:

  • Serpentines: chrysotiel (witte asbest)
  • Amphibolen:
    • Crocidoliet (blauwe asbest)
    • Actinoliet-tremoliet
    • Amosiet (bruine asbest)
    • Anthophylliet

Wat de chemische samenstelling betreft: chrysotiel bevat vooral SiO2 en MgO; de amphibolen bevatten naast SiO2 veel FeO of F2O3. De afmetingen van de vezels hangen af van de mate waarin het asbest bewerkt is. Asbest is gemakkelijk splijtbaar; door bewerking vindt fragmentering in steeds kleinere vezels plaats.

Chrysotiel heeft een natuurlijke fibrillaire structuur waardoor het ook gesponnen kan worden (asbestkoord); de amphibolen zijn korter, stijver en rechter dan chrysotiel.

De diameter van chrysotiel fibrillen is 0,02-0,04 micron; amphibolen 0,1-0,2. Ter vergelijking: menselijk haar heeft een diameter van 40 micron en glasvezel 1-5 micron. De lengte-breedte verhouding voor chrysotiel is meestal meer dan 50 : 1. Voor amphibolen is deze verhouding meestal minder dan 3 : 1. (Selikoff and Lee[i] 1978)

Toepassingen

De meest bekende eigenschap van asbest is de grote hittebestendigheid. Ook is het slijtvast en heeft een groot elektrisch isolerend vermogen. Deze combinatie van eigenschappen heeft het tot een groot scala aan commerciële toepassingen geleid. Ruim 90% van het commercieel toegepaste asbest bestaat uit chrysotiel (witte asbest); beperkte toepassing vindt amosiet (bruine asbest) en crocidoliet (blauwe asbest). In de tabel staat een overzicht van de belangrijkste asbesthoudende producten en hun toepassingsgebieden.

Product

Toepassing

Asbestcement plaat

Bouwmateriaal, o.a. dakbedekking

Asbestcement pijp

Waterleiding en riool

Asbesttextiel

Hittebestendige kleding, lasgordijn, handschoen, vilt voor isolatiedoeleinden

Frictiemateriaal

Remvoering, koppeling, schijfrem

Spuitisolatie

Isolatielaag op metalen en betonnen bouwconstructies

Pakking etc.

Pakking, koord, gasmaskerfilter

Asbestpapier en karton

Dakbedekking, pijpomwikkeling, vloerbedekking

Vulstof

In o.a. kitten, lijm en verf

Tabel: overzicht van belangrijke asbesthoudende producten en toepassingsgebieden (naar Burdorf [ii]et al 1997)

Vooral in de scheepsbouw is in Nederland veel asbest toegepast. Bij isolatiewerkzaamheden en door installatiewerk in besloten ruimtes waarbij door asbestlagen geboord werd, bestond een forse blootstelling aan asbestvezels. De snelle expansie van de asbestcementindustrie overschaduwde in latere jaren bijna alle andere industriële toepassingen. In de praktijk is het belangrijk onderscheid te maken tussen hechtgebonden en niet-hechtgebonden asbest. Het zogenaamde hechtgebonden asbest zit als het ware ingepakt in cement en zal pas na bewerking in kleine deeltjes uiteenvallen en schadelijk kunnen werken.

Vanaf 1978 zijn in Nederland wettelijke maatregelen genomen om de blootstelling te beperken. In 1993 is uiteindelijk een totaal verbod op het gebruik van asbest van kracht geworden. Wereldwijd is de productie echter niet gedaald: vooral in Oost- en Centraal-Europa en in ontwikkelingslanden wordt asbest nog volop toegepast.

Dierexperimenteel onderzoek

In het uitgebreide onderzoek dat is gedaan naar de pathogenese van aan asbest gerelateerde maligniteiten is nooit gevonden dat asbest mutageen of genotoxisch is. Het werkt als een tumorpromotor, waarbij de interactie tussen de macrofagen en de inerte vezels essentieel is. Door de incomplete ingestie van lange asbestvezels, vooral van de amphibolen - die sterker inert zijn dan chrysotiel - komen macrofaag-mediatoren zoals proteolytische enzymen en groei-promotie-factoren vrij. Deze kunnen door weefselbeschadiging fibrose veroorzaken, wat weer maligne kan ontaarden. Aangenomen wordt dat de chronische stimulatie van fibroblasten en epitheel de belangrijkste factor in de oncogenese is. (Browne K[iii] 1994)

Epidemiologisch onderzoek

In diverse cohort-onderzoeken is aangetoond dat er tussen asbestsoorten verschillen in carcinogene potentie bestaan: bij werkers in asbestmijnen en molens waarin crocidoliet of andere amphibolen verwerkt werden, kwamen veel gevallen van mesothelioom en longkanker voor. Bij werkers die alleen chrysotiel verwerkten, werden in sommige studies geen en in andere relatief weinig mesothelioomgevallen gevonden. Er is gesuggereerd dat dit berust op verontreiniging van chrysotiel met amphibolen. Bij evaluatie van alle studies blijft de carcinogene potentie van chrysotiel overeind staan.

In de studies naar asbest en longkanker blijkt dat asbest en sigarettenrook elkaars werking versterken. Het gecombineerde effect is niet additioneel, maar synergistisch. Aangenomen wordt dat door asbest ongeveer evenveel extra gevallen van longkanker worden veroorzaakt dan van mesothelioom (in Nederland jaarlijks meer dan driehonderd gevallen; zie bijgaande grafiek). Door nadere analyse van de tot nu toe bekende gevallen is de prognose van 960 nieuwe gevallen in 2025 naar beneden bijgesteld. De verwachting is nu dat de piek van circa 480 gevallen per jaar rond 2017 zal liggen. (Segura et al[iv] 2002)

Onderzoek naar alternatieven

Bij vezels die voor sommige toepassingen als vervangingsmiddel van asbest gebruikt worden, zoals glas- en steenwol, is uitgebreid onderzoek naar mogelijke carcinogeniteit verricht. Dit geldt ook bij de introductie van nieuwe industriële kunststofvezels als aramide. De vezelkarakteristiek van deze producten is duidelijk verschillend van die van asbest. Irritatie van huid en slijmvliezen is een duidelijk gezondheidsprobleem. Voor glas- en steenwol geldt dat fibrinogene en carcinogene effecten bij extensief onderzoek niet zijn aangetoond. Bij keramische vezels bestaat twijfel en ook bij de nieuwe industriële kunstvezels is nog onzekerheid over carcinogeniteit. Door goede arbeidshygienische maatregelen is de blootstelling vanuit het voorzorgprincipe sterk beperkt.

Retrospectieve blootstellingschatting.

In de praktijk is het lastig om bij patiënten achteraf een goede schatting van de blootstelling te maken. Door een goede arbeidsanamnese en kennis van de werkzaamheden en bedrijven waarin asbest verwerkt is, valt wel tot een ''educated guess” te komen. Bij het Instituut voor Asbestslachtoffers heeft men daartoe inmiddels expertise opgebouwd. Ook dan nog is vaak niet duidelijk aan welke asbestsoort men blootgesteld is geweest omdat in het verleden de asbestsamenstelling nogal eens wisselde, afhankelijk van de marktsituatie.

Conclusie

Tussen de verschillende asbestsoorten bestaan verschillen in carcinogene en fibrinogene potentie. Alle asbestsoorten zijn kankerverwekkend. Voor de Nederlandse praktijksituatie is onderscheid naar asbestsoort weinig relevant omdat retrospectief meestal geen onderscheid in vezelsamenstelling gemaakt kan worden en er vaak sprake was van gemengde blootstellingen. Wereldwijd blijft het asbestprobleem vooralsnog in volle omvang bestaan.

Literatuur:

[i] Selikoff IJ, Lee DHK Asbestos and Disease. Academic Press. New York, 1978

[ii] Burdorf A et al: Schatting van asbestgerelateerde ziekten in de periode 1996-2030 door beroepsmatige blootstelling in het verleden. Min SoZaWe. VUGA, Den Haag, 1997

[iii] Browne K. Asbestos related disorders in: WR Parkes. Occupational Lung Disorders. Butterworth Heinemann. Oxford, 1994

[iv] Segura O, Burdorf A, Looman C. Update of predictions of mortality from pleural mesothelioma in the Netherlands. Occup Environ Med 2003; 60: 50-55

 

Gert van der Laan, klinisch arbeidsgeneeskundige 

Feedback Form