Longkanker - Ziektebeeld/ gezondheidsschade

Beschrijving van klachten, symptomen, stoornissen

Registratierichtlijnen

Differentiaaldiagnose

Prognose

 

Beschrijving van klachten, symptomen, stoornissen

Belangrijke lokale symptomen van longkanker zijn hoesten (soms een verandering in het hoestpatroon, of een hardnekkige prikkelhoest), opgeven van een spoortje bloed, kortademigheid en pijn in de borst. Andere belangrijke klachten zijn:

• vaak terugkerende longontsteking;

• aanhoudende heesheid;

• een zeurende pijn in de borststreek, de rug, of in het gebied van de schouders.

Ook is er regelmatig sprake van algemene klachten zoals vermoeidheid en gewichtverlies. Longkanker manifesteert zich veelal pas in een laat stadium. Bij veel patiënten die zich met klachten tot een arts wenden, is de ziekte dan ook al ver voortgeschreden. Soms wordt de ziekte ontdekt als om een andere reden een longfoto wordt gemaakt. Bij een vermoeden van longkanker zal de huisarts verwijzen naar de longarts voor verder onderzoek.

<Terug naar de top

Verder onderzoek

Het maken van een röntgenfoto van de borstkas is vaak een van de eerste onderzoekingen. In veel gevallen is het noodzakelijk om het beeldvormend onderzoek uit te breiden met een computertomogram (CT), waarbij via computerreconstructie doorsneden van de borstkas worden afgebeeld. Recent is gebleken dat nucleair-geneeskundige technieken, zoals positron-emissietomografie (PET-scintigrafie), in belangrijke mate kunnen bijdragen aan het stellen van een diagnose, omdat hiermee de uitbreiding van de ziekte nauwkeuriger kan worden beoordeeld.

In alle gevallen is een microscopische bevestiging van de vermoede diagnose noodzakelijk. Hiervoor is bij een groot gedeelte van de patiënten een bronchoscopie geïndiceerd. Dit is een onderzoek waarbij via een dunne, buigzame slang met glasvezels een beeld van de luchtwegen kan worden gevormd, en tevens stukjes tumorweefsel worden verkregen. Hiermee kan in meer dan 70 procent van de gevallen de diagnose longkanker worden gesteld.

Indien de bronchoscopie geen definitief uitsluitsel geeft, zal aan de patiënt vaak worden voorgesteld om door de borstwand heen of vanuit de slokdarm een punctie te doen van de afwijking in de long of een verdachte klier achter het borstbeen. Het succes van deze diagnostische methode hangt af van de grootte en ligging van het gezwel.

Soms worden andere invasieve technieken, zoals thoracoscopie en mediastinoscopie, gebruikt voor het stellen van een diagnose. De eerstgenoemde techniek - een kijkoperatie in de longvliesruimte - wordt vooral toegepast indien er vocht achter de long is, waarvan men via eenvoudig onderzoek (naaldpunctie) niet kon vaststellen of het hier om kwaadaardigheid ging. Mediastinoscopie - een onderzoek van de klieren achter het borstbeen - wordt een enkele maal toegepast om de vermoede diagnose longkanker te bevestigen. Dit onderzoek is vooral aangewezen bij het onderzoeken van de mate van uitbreiding van de ziekte (stadiëring).

<Terug naar de top

 

Registratierichtlijnen.

Er zijn registratierichtlijnen opgesteld voor "Brochuscarcinoom door asbest" (302) en voor "Longafwijkingen door houtstof" (305.01). 
 

<Terug naar de top

Differentiaal diagnose

Longkanker moet worden gedifferentieerd van andere chronische longaandoeningen met (deels) dezelfde symptomen, zoals sarcoidose, silicose, tuberculose en bronchiëctasieën. Bij longkanker onderscheiden we verschillende typen. Globaal gaat het om:

  • het kleincellige type
  • het niet-kleincellige type; hiertoe behoren het plaveiselcelcarcinoom, het adenocarcinoom en het grootcellig carcinoom.

Deze indeling is gebaseerd op het soort cellen waaruit de tumor bestaat. Bij het merendeel van de patiënten met longkanker (± 80%) is sprake van het niet-kleincellige type.Van kleincellige longkanker zijn de vooruitzichten over het algemeen slechter.

<Terug naar de top

 

Prognose

Nadat de klinische fase is ingegaan (en er dus sprake is van klachten en symptomen) is de prognose meestal ongunstig. De overlevingsduur bedraagt meestal niet meer dan 1 – 1,5 jaar. De mediane overleving na het stellen van de diagnose bedraagt 8 maanden, en na 5 jaar is 13% van de patiënten nog in leven.

 

 

 

Feedback Form