Beroepsgebonden vroeggeboorte

Er is sprake van een (dreigende) vroeggeboorte, wanneer de bevalling plaats vindt bij een zwangerschapsduur van minimaal 16 weken (112 dagen) en maximaal 37 weken (259 dagen). Gerekend vanaf de eerste dag van de laatste menstruatie. De factoren die samenhangen met vroeggeboorte zijn weergegeven in tabel I (overgenomen uit het leerboek) Mogelijke oorzaken van vroeggeboorte zijn afwijkingen van de baarmoeder, ziekte van de vrucht, abnormale rek van de baarmoeder (bijvoorbeeld bij meerlingen) en afwijkingen aan de baarmoedermond. Een deel van de vroeggeboorten kan ook veroorzaakt worden door oorzaken in het werk, bijvoorbeeld zwaar werk of zeer veel stress. Niet zelden blijft de oorzaak onbekend.

Bron: eMedicine AMC (http://www.emedicine.com/med/topic3245.htm): Risk factors for preterm birth include demographic characteristics, behavioral factors, and aspects of obstetric history such as previous preterm birth. Demographic factors for preterm labor include nonwhite race, extremes of maternal age (<17 y or >35 y), low socioeconomic status, and low prepregnancy weight. Preterm labor and birth can be associated with stressful life situations (eg, domestic violence; close family death; insecurity over food, home, or partner; work and home environment) either indirectly by associated risk behaviors or directly by mechanisms not completely understood. Many risk factors may manifest in the same gravida.

Indeling van deze pagina

Oorzaken vroeggeboorte

  1. Ziektebeeld / gezondheidsschade
  2. Relatie met beroep / arbeidsomstandigheden
  3. Blootstelling belastende factoren
  4. Invloed van bijdragende factoren
  5. Beoordeling beroepsgebondenheid
  6. Preventie en induvideel casemanagement
  7. Bronnen

 

Oorzaken vroeggeboorte

Voor de onderstaande tabel is gebruik gemaakt van het leerboek Obstetrie en Gynaecologie (Redactie: Heineman et al., 2007) In de tabel wordt een overzicht gegeven van factoren waarvan in de wetenschappelijke literatuur bekend is dat ze een effect kunnen hebben op het krijgen van een vroeggeboorte. Van een aantal factoren wordt hier een korte toelichting gegeven. Zo blijken sommige etnische groepen, zoals Creolen afkomstig uit het Caribische gebied, om onduidelijke redenen een grotere kans te hebben op een vroeggeboorte. In de tabel wordt ook DES genoemd. Dit staat voor een hormoon waarmee in het verleden een aantal zwangere vrouwen werd behandeld om een miskraam dan wel vroeggeboorte te voorkomen. Inmiddels is bekend dat hun dochters zelf een grotere kans hebben op een vroeggeboorte.

Tabel: Factoren die samenhangen met vroeggeboorte
(Bron: Heineman et al.: Obstetrie en gynaecologie, 2007)

Moederlijke factoren Kans verhoogd:
   
Sociaal-demografische factoren  
  • leeftijd: < 20 jaar of  > 35 jaar
1-2 maal
  • Etnische achtergrond
1-2 maal
  • Leefstijl en fysiek zwaar werk
1-2 maal
   
Medische en verloskundige factoren  
  • Belaste voorgeschiedenis b.v DES-dochter
> 2 maal
  • Aangeboren afwijkingen van de baarmoeder
onduidelijk
  • Infecties van de baarmoeder
1-2 maal
  • Stomp in de buik
onduidelijk
   
   
Factoren in de placenta (moederkoek) Kans verhoogd:
   
  • Bloedverlies vanuit de vagina
> 2 maal
  • Meerlingzwangerschap
> 2 maal
  • Te veel vruchtwater
> 2 maal

<Terug naar de top>

1. Ziektebeeld / gezondheidsschade

Men spreekt van vroeggeboorte (synoniemen partus praematurus resp. preterm delivery), wanneer de bevalling plaats vindt tussen de 16e tot de 37e week van de zwangerschap gerekend vanaf de eerste dag van de laatste menstruatie. Mogelijke oorzaken van vroeggeboorte zijn afwijkingen van het intra-uterine milieu, ziekte van de foetus, abnormale rek van de uterus (bijvoorbeeld bij meerlingen) en cervixinsufficiëntie. Een deel van de vroeggeboorten kan ook veroorzaakt worden door oorzaken in het werk, bijvoorbeeld zwaar werk of zeer veel stress. Niet zelden blijft de oorzaak onbekend.
 
Differentiaal diagnose
Wanneer de medicus geconfronteerd wordt met een vrouw, met een zwangerschap van meer dan 20 weken, met krampende buikpijn dient de volgende differentiaal diagnoge te worden overwogen:

  • Acute buik: peritonitis, pancreatitis, ileus etc
  • Appendicitis
  • Cholecystitis
  • Nephrolithiasis
  • Bloedingen abdominal
  • Pelvic inflammatory disease
  • Vroeggeboorte
     

Het klinisch beeld naast gegevens van laboratorium en beeldvormende diagnostiek zullen richting geven aan diagnostiek en het te volgen beleid.

Prognose
Als bron is gebruikt het Nationaal Kompas Volksgezondheid (http://www.rivm.nl, Ouden AL, Buitendijk SE: Vroeggeboorte en de gevolgen voor de patiënt).

Sterfte door onrijpheid longen verminderd
Ernstige ademhalingsproblemen zijn de belangrijkste oorzaak van overlijden van te vroeg geboren kinderen. Aandoeningen van het centraal zenuwstelsel kunnen tot handicaps leiden. Bij kinderen geboren na een zwangerschapsduur van 23-25 weken zijn er nog nauwelijks longblaasjes aangelegd. Naarmate de zwangerschap langer duurt, neemt de hoeveelheid longweefsel toe. Vooral een tekort aan surfactant, een eiwit dat de oppervlaktespanning in de longen verlaagt en de longen openhoudt, is dan een beperkende factor voor de longfunctie van te vroeg geboren kinderen. Door de steeds betere beademingstechnieken en de ontwikkeling van kunstmatig surfactant, is de sterfte ten gevolge van onrijpheid van de longen verminderd.

Minder kans op hersenschade door betere beademingstechnieken
Bij een zwangerschapsduur van minder dan 34 weken is de vaatvoorziening van de hersenen nog niet volgroeid. Ook is de regeling van de bloeddruk in de hersenen nog onrijp. In het gebied waar de bloedvaten sterk in ontwikkeling zijn, kunnen al bij een geringe verhoging van de bloeddruk bloedingen optreden. In het gebied waar de vaatontwikkeling nog moet beginnen, kan een geringe bloeddrukdaling al tot schade door zuurstofgebrek leiden. Door verbeterde beademingstechnieken is de kans op hersenbloedingen en hersenschade door zuurstofgebrek verminderd. Ook de preventie van stress, zowel vóór als na de geboorte, voorkomt hersenbloedingen en is van belang bij de preventie van ontwikkelingsproblemen.

Na minstens 27 weken zwangerschap overleeft 90% van de kinderen
Van de te vroeg geboren kinderen van minstens 27 weken zwangerschapsduur en van kinderen met een geboortegewicht tussen 1000 en 2500 gram overleeft in Nederland ongeveer 90% (Bron: PRN, LVR/ LNR). Onder de 27 weken zwangerschapsduur is de prognose veel minder gunstig (zie tabel 1). Boven 32 weken zwangerschap zijn de sterfte en de kans op blijvende beperkingen waarschijnlijk nog maar weinig verhoogd ten opzichte van op tijd geborenen (zwangerschapsduur 37-42 weken); kwantitatieve gegevens hierover ontbreken echter.

Ernstige vroeggeboorte heeft langdurig effect op het kind
Vroeggeboorte heeft een langdurig effect op de ontwikkeling en gezondheid van het kind. Het leidt tot een toenemend beroep op onderwijs- en gezondheidszorgvoor-zieningen. Bij te vroeg geboren kinderen komen vaker stoornissen, beperkingen en handicaps voor dan bij op tijd geborenen. Uit een onderzoek bij alle in 1983 veel te vroeggeborenen (<32 weken of <1500 gram) blijkt dat op 2-jarige leeftijd 6% van deze kinderen een ernstige en 7% een lichte handicap heeft (Van Zeben-van der Aa et al., 1989). Naarmate de kinderen ouder worden en er hogere eisen aan een kind worden gesteld, stijgt het percentage kinderen met een lichte handicap of een beperking. Op 10-jarige leeftijd heeft bijna de helft van de kinderen een beperking of handicap, zes maal zoveel als normaal (Den Ouden et al., 1998). Op de leeftijd van 14 jaar zit 28% op een school voor speciaal voortgezet onderwijs, vergeleken met 4,7% in de algemene bevolking (Den Ouden, 1999). Het Validatie Onderzoek bij 5-jarigen laat zien dat de overlevingskans sinds de vroege jaren tachtig wel is verbeterd, maar dat de kans op beperkingen niet is afgenomen (verstandelijke handicap).

Tabel 1: Sterfte per zwangerschapsduurcategorie zoals geregistreerd in

Zwangerschapsduur
(weken)

Perinatale
sterfte (%)

22-27 72,4
28-31 19,6
32-36 3,2
37-43 0,3

<Terug naar de top>

2. Relatie met beroep / arbeidsomstandigheden

De exacte bijdrage van werkfactoren op het risico voor het krijgen van een te vroeg geboren kind is niet bekend. Wel blijkt uit de literatuur dat zwangere vrouwen een verhoogd risico lopen op vroeggeboorte, wanneer zij in hun werk worden blootgesteld aan één of meer van de volgende factoren:

  1. Fysiek belastend werk, zoals langdurig staan en het tillen van lasten.
  2. Hoge psychosociale stress
  3. Werktijden (onregelmatige diensten, langdurig werktijden, nachtdienst etc)

Zie ook: NVAB-Richtlijn “Zwangerschap, postpartumperiode en werk” 2007.

<Terug naar de top>

3. Blootstelling belastende factoren

Beroep waar de beroepsziekte voorkomt
Epidemiologie

Als er sprake is van één of meer van bovengenoemde factoren, wordt geadviseerd de hoogte van de belasting in kaart te brengen door middel van een uitgebreide arbeidsanamnese. Voor een aantal factoren bestaan er nog andere hulpmiddelen.
Fysieke belasting:
Er zijn meerdere instrumenten om fysieke belasting te meten, zoals bijvoorbeeld de OWAS-methode. In de NVAB-Richtlijn “Zwangerschap, postpartumperiode en werk worden de volgende limieten genoemd:

  • Vanaf de 20e week per dag niet meer dan:
    • 5 x 10 kg tillen
    • 25 x bukken
    • 2 uur staan
    • 3 uur lopen
    • 5 x 15 treden traplopen
       
  • Vanaf de 30e week per dag niet meer dan:
    • 5 x 5 kg tillen
    • 10 x bukken
    • 1 uur staan
    • 2 uur lopen

Stress: kan gemeten worden met een vragenlijst bijvoorbeeld met de VBBA of een vergelijkbare lijst

Beroep waar de beroepsziekte voorkomt

Fysieke belasting
Fysiek belastend werk voor vrouwen komt met name vaak voor in de gezondheidszorg, de detailhandel (winkelpersoneel) en de horeca.
Stress komt in veel beroepen voor zoals bij hulpdiensten, leidinggevende functies, gezondheidszorg en ook bijvoorbeeld in de luchtvaart, bijvoorbeeld bij piloten.

Onregelmatige werktijden: gezondheidszorg, detailhandel, horeca etc.

Epidemiologie

Het aantal te vroeg geboren kinderen (inclusief zeer vroeg geborenen <32 weken) bedroeg 68 per 1.000 levendgeborenen in 1988/1989, 76 per 1.000 in 1995 (Buitendijk, 2000) en 79 per 1.000 in 1999 (Bron: PRN, LVR/ LNR). Zeervroeggeboorte kwam voor bij 6,3 per 1.000 levendgeborenen in 1983 (POPS), bij 7,1 per 1.000 in 1988/1989 (SMOCK) en bij 10,8 per 1.000 in 1999 (Bron: PRN, LVR/ LNR). Omgerekend naar het aantal levendgeboren kinderen in Nederland in 2001 komen de cijfers uit de LVR/ LNR-registraties neer op ongeveer 13.800 vroeg- en 2.200 zeer vroeg levendgeborenen (http://www.rivm.nl/vtv/object_document/o1960n18568.html ).

4. Invloed van bijdragende factoren

Vroeggeboorte treedt in ruim driekwart van de gevallen spontaan op. Bij ongeveer 20 % wordt de vroege geboorte geïnduceerd door de gynaecoloog in verband met complicaties in de zwangerschap zoals zwangerschapsvergiftiging of ernstige groeivertraging van de foetus (NKV 2007). Tevens verwijzen we naar de tabel aan het begin van dit deel.

<Terug naar de top>

5. Beoordeling beroepsgebondenheid

Op individueel niveau is het moeilijk om een vroeggeboorte toe te schrijven aan een specifieke werkgebonden oorzaak. Op basis van de bekende epidemiologische gegevens moet er rekening worden gehouden met de werkfactoren waarvan bekend is dat er een verhoogd risico is op het krijgen van een miskraam.

<Terug naar de top>

6. Preventie en individueel casemanagement

Wanneer een zwangere niet of in sommige gevallen minder aan een bepaalde werkfactor wordt blootgesteld, zal daarmee de bijdrage van het werk op het krijgen van een vroeggeboorte verdwijnen of op zijn minst verminderen.
Op individueel niveau is veel gevallen moeilijk aan te geven in hoeverre bepaalde werkgebonden factoren een vroeggeboorte hebben veroorzaakt. Op basis van de genoemde factoren is uit de epidemiologie wel bekend welke factoren een hoger risico geven op een vroeggeboorte.

<Terug naar de top>

7. Bronnen

In oktober 2007 is de NVAB Richtlijn “Zwangerschap, postpartumperiode en werk” verschenen waarin de advisering en begeleiding door de bedrijfsarts aan de orde komen.

Leerboek:

  • Algemeen: Obstetrie en gynaecologie. De voortplanting van de mens. Onder redactie van Heineman M.J., Evers J.L.H., Massuger L.F.A.G., Steegers E.A.P. Elsevier gezondheidszorg, Maarssen, 6e druk, 2007

Websites:

Richtlijnen:

  • NVAB Richtlijn: Zwangerschap, postpartumperiode en werk <externe link PDF>
    Achtergronddocument NVAB Richtlijn <externe link PDF>

 

<Terug naar de top>