Epicondylitis lateralis humeri (tenniselleboog)

Epicondylitis lateralis humeri, ook wel tenniselleboog genoemd, wordt beschouwd als een aandoening die ontstaat door overbelasting van de spieren die de vingers en de pols strekken. De aandoening wordt gekenmerkt door pijn op of rond de buitenkant van de elleboog (epicondylus lateralis). Het aantal nieuwe gevallen per jaar in de algemene bevolking wordt geschat op 1 tot 3%. In de huisartspraktijk bedraagt het 4-7 op de 1.000 patiënten per jaar. De gemiddelde duur van een episode ligt tussen de 6 maanden en 2 jaar, met een geschatte gemiddelde duur van de klachten van driekwart jaar.

Indeling van deze pagina

  1. Ziektebeeld / gezondheidsschade
  2. Relatie met beroep / arbeidsomstandigheden
  3. Blootstelling, belastende factoren
  4. Invloed bijdragende factoren
  5. Beoordeling beroepsgebondenheid
  6. Preventie
  7. Individueel casemanagement
  8. Bronnen

1. Ziektebeeld / gezondheidsschade

Epicondylitis is een aandoening in de elleboogregio die gekarakteriseerd wordt door intermitterende pijn ter hoogte van de spier/pees- of pees/bot-overgang van de polsextensoren oftewel de polsstrekkers (epicondylitis lateralis).

In tekstboeken en overige literatuur wordt het klinische beeld bij epicondylitiden als volgt omschreven: Patiënten melden pijn als primair symptoom; de pijn is gelokaliseerd rond de laterale epicondylus; uitstraling van klachten naar de onderarm komen voor. Zwaktegevoel bij het grijpen kan aanwezig zijn. De symptomen worden geprovoceerd door het grijpen naar of optillen van objecten. In de acute fase kunnen de symptomen ook in rust aanhouden.

Bij atypische bevindingen of pijn elders in de elleboog moeten andere elleboog-aandoeningen overwogen worden.

Bij uitstralende pijn in de bovenarm, schouder en/of nek, moeten schouder of nekaandoeningen worden overwogen.

Overweeg een beklemming van de nervus radialis in de radiale tunnel bij pijn over de onderarm en een pijnlijke weerstandstest bij supinatie en extensie van de middelvinger.

<terug naar de top>

2. Relatie met beroep / arbeidsomstandigheden

Er bestaat een relatie tussen de aandoening en repeterend en 'krachtig' werk. Het betreft specifiek de belasting van de extensoren van de pols. Er bestaat geen relatie met toetsenbord en/of muisgebruik.

Voor het bepalen van de mate van arbeidsgerelateerdheid kan gebruik worden gemaakt van registratierichtlijn D001 voor het melden van beroepsziekten van 'aandoeningen bewegingsapparaat aan de bovenste extremiteit 'en het bijbehorende achtergronddocument, 'Richtlijnen voor de vaststelling van de arbeidsrelatie van Aandoeningen aan het Bewegingsapparaat in de Bovenste Extremiteit'.

De risicofactoren voor de aandoening zijn:

Houding gemiddeld gedurende meer dan 2 uur tijdens een werkdag:

  • Houding waarbij de elleboog meer dan 90 graden gebogen gehouden moet worden
  • Houding waarbij de elleboog in gestrekte positie gehouden moet worden
  • Houding waarbij de onderarm in meer dan 40 graden pronatie (of supinatie) gehouden moet worden

Beweging gedurende meer dan 4 uur tijdens een werkdag:

  • Bewegingen van de elleboog en pols die meer dan tweemaal per minuut voorkomen  

Kracht gedurende meer dan 2 uur tijdens een werkdag:

  •  Krachtsinspanning van meer dan 40 N met de spieren van de onderarm (bijvoorbeeld het met de handen knijpen of samendrukken van objecten of handgereedschap)

Combinatie van factoren gedurende een werkdag:

  • Combinatie van bovengenoemde houding, herhaling van beweging en kracht.

<terug naar de top>

3. Blootstelling, belastende factoren

De blootstelling aan de risicofactoren dient bij voorkeur gebaseerd te worden op kwantitatieve gegevens zoals metingen op de werkplek, productiecijfers of andere studies bij vergelijkbare beroepsgroepen. Gegevens die zijn verkregen op basis van vragenlijsten of een anamnese zijn vaak van onvoldoende kwaliteit om een precieze schatting van de blootstelling aan de risicofactoren mogelijk te maken.

 

4. Invloed bijdragende factoren

Het is mogelijk dat een hogere leeftijd en een langere duur van de blootstelling aan risicofactoren in jaren de kans op de aandoening epicondylitis lateralis vergroot.

<terug naar de top>

5. Beoordeling beroepsgebondenheid

Het Coronel Instituut voor Arbeid en Gezondheid, Academisch Medisch Centrum heeft een richtlijn gemaakt op basis van de internationale literatuur en een internationale expertbijeenkomst, getiteld 'Richtlijnen voor de vaststelling van de arbeidsrelatie van Aandoeningen aan het Bewegingsapparaat in de Bovenste Extremiteit'. In dit document wordt de case-definitie beschreven, de diagnostiek en de wijze waarop de arbeidsgerelateerdheid wordt bepaald voor een epicondylitis lateralis, en tot slot beslisregels om vast te stellen of er sprake is van een beroepsziekte.

Daarbij worden 4 stappen gehanteerd:  

  • Zijn de symptomen begonnen, teruggekomen, of erger geworden nadat het huidige werk werd begonnen?
  • Controleer of de werknemer blootstaat aan factoren op het werk waarvan een relatie met epicondylitis lateralis bekend is.
  • Zijn er oorzaken voor de symptomen aanwijsbaar die buiten het werk liggen?
  • Neem de beslissing over de mate van arbeidsgerelateerdheid op basis van de beslisregels uit de bovengenoemde richtijn (pag 48). 

De uitkomsten kunnen zijn:

  • De epicondylitis lateralis is hoogst waarschijnlijk niet arbeidsgerelateerd.
  • De epicondylitis lateralis is mogelijk arbeidsgerelateerd.
  • De epicondylitis lateralis is waarschijnlijk arbeidsgerelateerd, oftewel er is sprake van een beroepsziekte

 

6. Preventie

Het uitgangspunt bij de preventie van epicondylitis lateralis is de blootstelling aan de risicofactoren te verminderen of te elimineren.

Bij het verminderen van de blootstelling wordt veelal onderscheid gemaakt naar het verminderen van de intensiteit (bijvoorbeeld minder kracht zetten of minder ongunstige polshouding) of verminderen van de blootstellingduur (bijvoorbeeld belastende taken afwisselen met andere taken).

De interventies kunnen onderverdeeld worden naar organisatie (bijvoorbeeld niet alleen maar zwaar belastende klussen op een werkdag), techniek (bijvoorbeeld inzet van ander gereedschap) of gedrag (bijvoorbeeld afwisselen van de werkzaamheden tussen beide handen).

Helaas zijn in de wetenschappelijke literatuur weinig goede studies gedaan naar de effectiviteit van preventie. Daarnaast dient voor een succesvolle preventie veel aandacht te worden besteed aan de implementatie van de maatregelen.

<terug naar de top>

7. Individueel casemanagement

Het is het beste de natuurlijke genezing af te wachten. Absolute rust van de arm is niet noodzakelijk. Bewegen met pijn benadeelt de genezing niet. Bij toenemende of niet meer te verdragen pijn is vermindering van de uitlokkende activiteiten gewenst. Geef advies over gunstige werkhoudingen zoals tillen en dragen met de handpalmen naar boven en eventueel gebruik van (andere) hulpmiddelen om de krachtsuitoefening te verminderen.

Geef zo nodig symptomatische pijnstilling, bijvoorbeeld paracetamol, bij onvoldoende effect vervangen door een NSAID (Non-Steroidal Anti-Inflammatory Drugs, pijnstillers die niet behoren tot de groep van de corticosteroïden, voorbeelden zijn ibuprofen of diclofenac).

Bij langdurig veel hinder in het dagelijks functioneren: lokale injecties met triamcinolonacetaat 10 mg/ml (plus desgewenst lidocaïne 2% in een verhouding van 1:1) tot maximaal 1 cc. Herhaal bij onvoldoende effect de injectie 2 maal met een tussenpoos van ten minste 2 weken; maximaal 5 per jaar.

Fysiotherapeutische applicaties of een operatieve ingreep worden niet aanbevolen

Evalueer binnen drie weken of het advies het gewenste effect heeft.

<terug naar de top>

8. Bronnen

<terug naar de top>