Epoxy allergie

Bron: Arboportaal

Ziektebeeld

  • De verschillende bestanddelen van epoxy-verbindingen kunnen irritatie veroorzaken van ogen, neus, huid en luchtwegen bij direct contact met de huid of na inademing van damp of gas.
  • De klachten en verschijnselen die daardoor ontstaan zijn roodheid, jeuk, pijn, tranenvloed, hoesten en kortademigheid.
  • Het grootste risico bij herhaald contact met epoxy-verbindingen is het ontstaan van een allergie voor een of meerdere bestanddelen van de epoxy-verbinding. Dit uit zich als (allergisch) contacteczeem en in mindere mate astma. In zeldzame gevallen kan de allergie zich uiten in de vorm van netelroos (galbulten).
  • Ongeveer één op de vijf mensen die epoxy-verbindingen verwerken in de bouw ontwikkelt een dergelijk allergisch contacteczeem.
  • Kenmerkend voor huidklachten door vluchtige epoxy-verbindingen is het voorkomen op de onbedekte delen van het lichaam, door blootstelling via de lucht.
  • Is eenmaal een allergie ontwikkeld, dan treden allergische reacties op bij elk volgend contact met de epoxy-verbinding. De ernst van de reactie neemt daarbij steeds toe en de enige oplossing is om absoluut geen contact meer met deze stof(fen) te hebben. 

Oorzaak

  • Epoxy-verbindingen zijn kunstharsen. Zij worden industrieel verwerkt in diverse producten in de plastic-, kunststof-, verf-, papier- en textielindustrie en op min of meer ambachtelijke wijze in de bouw.
  • Epoxyharsen hebben unieke technische eigenschappen, waardoor ze in de bouw erg populair zijn ter voorkoming van roesten van metaal, van hout- en betonrot, van slijtage of chemische aantasting van vloeren.
  • In de bouw worden epoxy-verbindingen gebruik in in speciale lijmen (constructielijm, tegellijm), coatings, verven, primers, voegmiddel, vulmiddelen, vloermaterialen (gietvloer, troffelvloer, grindvloer), reparatiemiddelen (beton, hout) en rioolreparatiemiddelen.
  • Epoxy-verbindingen kunnen de volgende bestanddelen bevatten:
    • Epoxyharsen, meestal op basis van de koppeling van bisphenol A aan epichloorhydrine. Voorbeelden zijn diglycidylether van bisphenol A (ADGEBA) en triglycidyl isocyanuraat (TGIC)
    • Ook komt koppeling voor met (meth)acrylaten, zoals glycidyl methacrylaat, Bis-GA, Bis-EMA e.d
    • Harders, zoals polyamines en zure anhydrines als phtaalzuur anhydrine
    • Vulstoffen als zand en grind
    • Reactieve verdunners, meestal glycidyl ethers
    • Pigmenten
  • Kenmerkend voor epoxy-verbindingen is dat ze veel reactieve chemische verbindingen bevatten die kunnen reageren met eiwitten in de huid en de slijmvliezen. Dit geldt zowel voor de componenten hars (epichloorhydrine, bisfenol A), harders, verdunners als ook de acrylaten.
  • Verder is bij gebruik en verwerken van epoxy-verbindingen contact moeilijk te vermijden door de vluchtigheid van de chemische verbindingen bij productie, transport, verwerking en schoonmaken van gereedschap.

Diagnostiek

  • Het is ‘op het oog’ niet te bepalen wat de oorzaak is van handeczeem.
  • Om na te gaan of een huidaandoening eczeem is en zo ja, welk type, kan de webtool "Handeczeem of niet?” van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten en het SKB gebruikt worden. Gaat het om contacteczeem dat te maken heeft met werk, dan is het advies contact op te nemen met de bedrijfsarts.
  • De bedrijfsarts zal naar de klachten vragen, inventariseren wat er al aan gedaan is en de huidaandoening bekijken. Met schriftelijke toestemming van de patiënt/werknemer zal de bedrijfsarts contact opnemen met de huisarts of specialist. Daarnaast verzamelt de bedrijfsarts ook informatie over het werk; de taken en werkomstandigheden. Daarbij is vooral van belang of en op welke manier de huid in contact komt met epoxy-verbindingen.
  • Als werk¬plekonderzoek nodig is, dan wordt dat uitgevoerd door een deskundige.
  • Eventueel wordt door een dermatoloog (huidarts) onderzoek naar allergie uitgevoerd, bijvoorbeeld met huidtesten of bloedonderzoek. Als er geen relatie is tussen het eczeem en het werk, verwijst de bedrijfsarts de patiënt/werknemer (terug) naar de huisarts.
  • Bij het vermoeden van longklachten door epoxyverbindingen is de bedrijfsarts eveneens de eerst aangewezen arts om te raadplegen. Daarbij volgt deze dezelfde aanpak als bij contacteczeem.
  • Zonodig wordt verwezen naar de longarts voor nader onderzoek. Met piekstroommetingen vóór en na het werk kan een goede indruk verkregen worden van de relatie met factoren in het werk.

Vóórkomen

  • Risicogroepen in de bouw zijn schilders, betonreparateurs, timmerlieden, vloerenleggers, tegelzetters, kabel- en buizenleggers, verfspuiters. Andere risicogroepen zijn meubelmakers, vliegtuigmonteurs, medewerkers in de marmerverwerking, in de productie van ski’s of verf, tandartsen, medewerkers in tandtechnisch laboratorium, drukkerij en mensen die immersie-olie gebruiken, bijvoorbeeld bij elektronenmicroscopie.
  • Naar schatting zijn in de Nederlandse industrie ten minste 1000 personen beroepsmatig blootgesteld aan zure anhydriden die onder andere worden gebruikt als harders voor epoxyharsen.
  • Onder personen die in hun werk blootstaan aan zure anhydriden heeft 30% beroepsastma en eveneens 30% neusklachten.

Preventie

Zowel werkgevers als werknemers kunnen preventieve maatregelen nemen tegen de schadelijke effecten van epoxy-verbindingen.

Wat kunnen werkgevers doen?

  • Andere middelen kiezen. Reparaties en onderhoud zoveel mogelijk laten uitvoeren met cementgebonden betonreparatiemiddelen (CC- of PCC-mortels). Hieraan zijn geen agressieve kunststoffen toegevoegd en vaak is met deze middelen zelfs een betere kwaliteit te bereiken.
  • Een injectiesysteem aanschaffen waarbij het mengen van hars en harder in een gesloten circuit plaatsvindt.
  • Chemische betonreparatiemiddelen in een ruimte apart van de werkplek opslaan in lekbakken van voldoende inhoud.
  • Afvalcontainers laten markeren met dezelfde symbolen en waarschuwingszinnen als op de verpakking van de middelen. Containers met epoxy-afval apart opslaan.
  • Erop toezien dat bij handmatig verwerken het mechanisch mengen met een laag toerental gebeurt.
  • Zorgen voor een mengruimte dicht bij de plaats waar de betonreparatiemiddelen worden verwerkt.
  • Ervoor zorgen dat de mengruimte goed kan worden geventileerd.
  • In de mengruimte zorgen voor bronafzuiging boven de mengvaten, gladde vloer en werkbank en een pedaalemmer met verwisselbare zak.
  • Als met een menger op een boortol grote hoeveelheden moeten worden gemengd, het mengvat laten afsluiten met plexiglas (na gebruik plexiglas weggooien).
  • Ervoor zorgen dat de werknemers het mengvat nooit verder vullen dan tot 20 cm onder de rand.
  • Werknemers voorzien van hulpmiddelen (borstel, troffel, schuurbord, spaan) op een steel. Hen de handvatten met tape laten beplakken. Na het werk kan het vuil met de tape eenvoudig worden verwijderd.
  • Zorgen voor gesloten apparatuur voor het injecteren.
  • Erop toezien dat bij het injecteren de juiste handschoenen en het juiste gereedschap wordt gebruikt en  gereedschap direct na gebruik schoongemaakt wordt.
  • Erop toezien dat na het werk de werkplek zorgvuldig wordt opgeruimd, zodat niemand zonder het te weten in aanraking kan komen met (onuitgeharde) betonreparatiemiddelen.
  • Werknemers voorzien van ademhalingsbescherming (luchtkap met koolfilter) bij het mengen en gebruiken van reparatiemiddelen.
  • Werknemers voorzien van een gelaatsscherm wanneer zij boven hun hoofd werkzaamheden moeten uitvoeren.
  • Werknemers voorzien van werkkleding en handschoenen van nitrilrubber, neopreen of de 4-H handschoen van ethyleen-vinylalcohol co-polymeer, speciaal vervaardigd voor werken met epoxy-verbindingen.
  • Epoxyhars kan door vinyl en natuurrubber heen dringen. Bovendien kan men voor natuurrubber overgevoelig worden. Deze materialen zijn dus niet geschikt. Ook katoenen handschoenen en kleding zijn niet geschikt.
  • Zorgen voor een goede was- en kleedgelegenheid dichtbij de mengruimte en de werkplek. De ruimte is bij voorkeur ingedeeld in een vuile ruimte, een wasruimte en een schone ruimte. Licht uw werknemers goed voor over zaken als het gescheiden houden van met epoxy-verbindingen vervuilde kleding en privé-kleding.
  • Gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen kan niet zonder toezicht en controle.
  • Werknemers voorlichten. 

Wat kunnen werknemers doen?

  • Mengen met een laag toerental.
  • Chemische betonreparatiemiddelen in een ruimte apart van de werkplek opslaan in lekbakken van voldoende inhoud. Hier ook de containers met epoxy-afval opslaan.
  • Markeren van afvalcontainers met dezelfde symbolen en waarschuwingszinnen als op de verpakking van de middelen.
  • Bij het mengen van grote hoeveelheden met een menger op een boortol, het mengvat afsluiten met plexiglas (na gebruik plexiglas weggooien).
  • Het mengvat nooit verder vullen dan tot 20 cm onder de rand.
  • Hulpmiddelen gebruiken (borstel, troffel, schuurbord, spaan) op een steel. Handvatten beplakken met tape. Na het werk kunnen zij het vuil met de tape eenvoudig verwijderen.
  • Bij het injecteren de juiste handschoenen dragen, het juiste gereedschap gebruiken en het gereedschap direct na gebruik schoonmaken.
  • De werkplek na het werk zorgvuldig opruimen, zodat niemand zonder het te weten in aanraking kan komen met (onuitgeharde) betonreparatiemiddelen.
  • Ademhalingsbescherming dragen (luchtkap met koolfilter) bij het mengen en gebruiken van reparatiemiddelen.
  • Een gelaatsscherm dragen wanneer zij boven het hoofd werkzaamheden moeten uitvoeren.
  • Handschoenen gebruiken van nitrilrubber, neopreen of de 4-H handschoen van ethyleen-vinylalcohol copolymeer, speciaal vervaardigd voor werken met epoxy-verbindingen.
  • Door hars of harder verontreinigde kleding zo nodig vaker dan één keer per dag vervangen door schone kleding.
  • Handen alleen wassen als ze in contact zijn gekomen met chemische betonreparatiemiddelen, was ze dan zo snel mogelijk en met een milde zeep.
  • Nooit eten, drinken of roken tijdens het werk en op de werkplek.
  • Met huidklachten direct naar de (bedrijfs)arts gaan.

Meer informatie