Afscheidsinterview Monique Frings-Dresen ‘Werk wordt erkend als belangrijke factor voor gezondheid’

Monique Frings-Dresen, afdelingshoofd (tot 1 september 2017), hoogleraar Beroepsziekten / Arbeidsgebonden aandoeningen, neemt 1 december tijdens de Heijermanslezing afscheid van het NCvB en de PMA. Een afscheidsinterview.
 

De titel van uw Heijermanslezing is ‘Over beroepen en ziekten, van curatie naar preventie’. Is dat de verschuiving waarvan u de afgelopen bijna dertig jaar getuige was?

‘Ja, inderdaad. Preventie was in het verleden nauwelijks een issue, er werd vooral ingestoken op ziekteverzuim. Maar als je pas gaat nadenken over preventie als het kalf verdronken is, dan werk je achterstevoren. Je ziet dat er tegenwoordig, zowel in de klinische zorg als bij de werkgerelateerde problematiek meer wordt nagedacht over het werken aan de voorkant. Kan ik een hartinfarct voorkomen door de leefstijl te veranderen? Hoe kan ik de werkplek veranderen zodat het risico op hart- en vaatziekten wordt verminderd? Dat soort vragen worden steeds belangrijker.’

De bedrijfsarts ziet nog altijd vaak pas een patiënt als hij al ziek thuis zit. Hoe kun je als bedrijfsarts toch inzetten op preventie, op het voorkomen van beroepsziekten?

‘Ik heb wat dat betreft goede verwachtingen van de nieuwe Arbowet. Het open spreekuur komt terug en dat zal er voor gaan zorgen dat mensen eerder naar de bedrijfsarts gaan. Dat kan een signalerende werking hebben. Daarbij krijgt de bedrijfsarts zelf nu ook toegang tot de werkplek. Als ze meer uit de spreekkamer komen, kunnen ze eerder een indicatie krijgen van wat er gebeurt op een risicovolle werkplek.’

Wel jammer dat die nieuwe wet ingaat als u vertrekt?

‘Ja, haha. Maar je kunt ook zeggen: dat hebben we toch mooi voor elkaar gekregen. Kijk hoe ver we zijn gekomen. Er is nu eindelijk een concrete mogelijkheid om daadwerkelijk invulling te geven aan wat wij al heel lang zeggen: preventie! Er zijn meer mogelijkheden om op preventief gebied iets te doen. Ik denk dat het werk van de bedrijfsarts ook interessanter maakt. ‘

U begon in 1988. Wat herinnert u zich van die beginjaren

‘Ik startte in het AMC, in het studiecentrum Arbeid en Gezondheid. Dat was een centrum binnen de toenmalige faculteit Geneeskunde UvA, waarbinnen de arbeidgerelateerde problematiek multidisciplinair werd aangepakt. Dat sprak mij toen direct al erg aan. We keken samen met geneeskundigen, sociologen, juristen en psychologen naar wat er speelde op de werkvloer.’

Wat is uw eigen achtergrond?

‘Ik ben zelf opgeleid als inspanningsfysioloog. We deden in die beginjaren bijvoorbeeld een multidisciplinair onderzoek bij de KLM in het bagagemagazijn om te kijken wat daar de fysieke en mentale problemen waren; nog steeds actueel. In 1995 toen het Studiecentrum werd opgeheven, ben ik naar het Coronel Instituut overgestapt. Daar ging ik op dezelfde voet door, met onderwijstaken naast onderzoek. Ik ben uiteindelijk via de diverse academische stapjes in het AMC-Universiteit van Amsterdam doorgegroeid naar hoogleraar Beroepsziekten/arbeidsgebonden aandoeningen.’

Wat is terugblikkend op de afgelopen bijna dertig jaar voor u het hoogtepunt?

‘Ik ben er trots op dat we voor elkaar hebben gekregen dat iedereen zich ervan bewust is dat arbeid een belangrijk element is om je gezondheid op peil te houden of te verbeteren. Dat was niet altijd zo vanzelfsprekend. Inmiddels weten we dat arbeid niet alleen een manier is om geld te verdienen maar dat het ook structuur geeft, voldoening, beweging, gezondheidsbevordering en ga zo maar door. Fysiek, psychisch en sociologisch zijn er elementen in werk die belangrijk zijn voor je gezondheid en welbevinden.’

Werk wordt niet langer alleen gezien als oorzaak van ziekte?

‘Precies, het draagt ook bij aan je gezondheid. Door iedere keer onderzoek te doen en die kennis te delen met de praktijk, is dat bewustzijn gegroeid. Je ziet dat ook in de klinische richtlijnen, daar zit nu altijd wel een deel arbeid in. Dat wordt onderkend dat werk een belangrijke factor is, vind ik grote winst.’

Ziet u dat als verdienste van het NCvB?

‘Niet alleen. Het is ook een maatschappelijke ontwikkeling. De maatschappij beweegt mee op de kennis die er is. De hele wave van meer aandacht voor preventie van arbeidsgebonden aandoeningen is mede door ons geïnitieerd. Binnen het NCvB hebben we in de richtlijnen de preventie als zesde stap toegevoegd aan het stappenplan voor signaleren en melden van beroepsziekten. ‘

U heeft veel promovendi begeleid. Wat is u daarvan het meest bijgebleven?

‘Er zijn zesendertig promovendi klaar en dertien zijn nog bezig. Een deel van de onderzoeken richten zich om methoden om belastingen in het werk goed te kunnen meten. Dat heb ik zelf altijd heel boeiend gevonden. Een ander deel van de onderzoekers gaat op zoek naar goede interventies bij ziektes als bijvoorbeeld reuma of kanker. Wat werkt om mensen aan het werk te houden of zo goed mogelijk te laten terugkeren?

Van een aantal promoties was de maatschappelijke impact heel erg groot. Daar ben ik ook altijd op gebrand geweest: ik pleit voor praktijkgericht onderzoek waar we wat aan hebben. Een mooi voorbeeld vind ik het onderzoek naar werkdruk van touringcarchauffeurs. Dat heeft geleid tot werktijdenregulatie die is opgenomen in de cao en daarmee  voor betere werkomstandigheden voor de chauffeurs en veiliger transport voor de passagiers.’

Heeft u plannen voor na uw pensioen?

‘Ik was ooit tennisleraar en ik fiets heel graag. Ik hoop straks het sporten weer wat meer op te gaan pakken. Niet alleen zoals nu gedwongen om fit te blijven, maar vanuit plezier en ontspanning. Daarbij ben ik overigens wel redelijk competitief. Vorig jaar heb ik de Amstel Gold Race gereden. Ik ga graag een uitdaging aan.

Verder wil ik weer wat meer vrijwilligerswerk oppakken en wil ik me actiever in internationaal verband gaan inzetten voor de bestrijding van kinderarbeid.’

Annemarie Geleijnse