Evidence-based werken en terugkeer na hersenletsel

Diverse proefschriften richten zich op beroepsziekten. In deze nieuwsbrief lichten we er twee uit van promovendi die komende maand hun proefschrift verdedigen. Judith van Velzen deed onderzoek naar de terugkeer naar werk na niet-aangeboren hersenletsel. Rob Kok beschrijft in zijn proefschrift hoe verzekeringsartsen meer evidence-based kunnen werken.

Terugkeer naar werk na niet-aangeboren hersenletsel
De afgelopen jaren heeft Judith van Velzen vanuit Heliomare Research & Development en het Coronel Instituut voor Arbeid en Gezondheid, AMC/UvA gewerkt aan het promotieonderzoek Return to work after acquired brain injury. Op 3 december 2014 verdedigt zij haar proefschrift in de Aula van de Universiteit van Amsterdam.

Promotoren zijn prof. dr. Monique H.W. Frings-Dresen en prof. dr. Coen A.M. van Bennekom.
Co-promotor is prof. dr. Judith K. Sluiter.

Doelen van het promotieonderzoek waren het verschaffen van inzicht in het proces van terugkeer naar werk na niet-aangeboren hersenletsel (NAH) en het onderzoeken van de mogelijkheden om mensen met NAH tijdens de revalidatiebehandeling te ondersteunen bij het proces van terugkeer naar werk.

Met betrekking tot het eerste doel is de conclusie dat, internationaal gezien, circa 40% van de mensen die werkten voor het optreden van NAH in staat is om binnen twee jaar terug te keren naar eigen, aangepast of ander werk. Een complex geheel van factoren speelt daarbij een rol. De kennis en steun van collega’s, leidinggevenden en bedrijfs- en verzekeringsartsen wordt door mensen met NAH als belangrijk ervaren bij het wel of niet slagen van het re-integratieproces.
Binnen het revalidatiecentrum van Heliomare is de Arbeidsgerelateerde revalidatiemethode geïmplementeerd (in het proefschrift Early Vocational Rehabilitation genoemd, afgekort tot EVR). Hiermee wordt tijdens de revalidatie op gestructureerde wijze aandacht besteed aan terugkeer naar werk in samenspraak met onder andere de werkgever en de bedrijfsarts. De EVR methode is vergeleken met de Ronde tafel methode die in het Rijnlands Revalidatie Centrum in Leiden wordt toegepast (in het proefschrift Late Vocational Rehabilitation genoemd, afgekort tot LVR). Hoewel de aanpak van beide methoden verschilt (bijvoorbeeld voor wat betreft het moment van starten en de locatie van de werktraining), vertonen de uitkomsten geen significante verschillen in termen van het aantal dagen tussen oplopen van NAH en het uitvoeren van nuttige taken voor de werkgever, het aantal mensen dat weer gaat werken, de kosten en de tevredenheid van de betrokkenen met de arbeidsrevalidatie-behandeling en de uitkomsten van die behandeling. Daarbij moet wel vermeld worden dat het aantal deelnemers aan de evaluatiestudie beperkt was en dat het daardoor moeilijk is om conclusies te trekken met betrekking tot de daadwerkelijke effecten van de EVR- en de LVR-methode. Dat 80-90% van de deelnemers in staat was binnen een jaar na de start van de revalidatie weer te beginnen met het uitvoeren van werkzaamheden is wel veelbelovend.

Op basis van de resultaten van het proefschrift wordt de implementatie van de arbeidsrevalidatiemethoden in andere revalidatie-instellingen aanbevolen. Voor toekomstig onderzoek wordt wel aangeraden om de effecten en de kosten op de lange termijn van de EVR- en de LVR-methode nader te onderzoeken en om te onderzoeken welke methode het best werkt voor welke patiënt. Voor de praktijk wordt aanbevolen dat er per instelling die een van beide methoden wil implementeren een contextanalyse wordt uitgevoerd om de methode zo goed mogelijk aan te laten sluiten bij het bestaande revalidatieproces. Tenslotte wordt aanbevolen dat er een netwerk komt van professionals die zorgdragen voor de begeleiding van mensen met NAH op het gebied van (terugkeer naar) werk. De begeleiding moet direct na het oplopen van het NAH starten en doorlopen zolang iemand wil en kan werken om ervoor te zorgen dat mensen ook op langere termijn deel kunnen nemen aan de arbeidsmarkt.

Judith van Velzen

Het proefschrift is in te zien via www.heliomare.nl/rend-werk-na-NAH
Bij vragen kunt u contact opnemen met Judith van Velzen via j.van.velzen@heliomare.nl

Evidence Based Werken
Rob Kok verdedigt op 19 december om 13.00 uur in de grote Aula op het Spui zijn proefschrift Evidence-based disability evaluation.

Promotores: Prof. dr. F.J.H. van Dijk
Co-promotoren: Dr. J.L. Hoving, Dr. J.A.H.M. Verbeek

Rob Kok laat in zijn promotieonderzoek zien dat een intensieve 5-daagse Evidence Based Medicine (EBM) training niet alleen leidt tot een verbetering van kennis en vaardigheden, maar ook tot een betere onderbouwing van arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen in de praktijk door verzekeringsartsen. Daarnaast levert het toepassen van EBM door het gebruik van kennis ook enthousiasme op voor de uitvoering van het vak.

Na afloop van de EBM-cursus gaven verzekeringsartsen aan te worden ‘empowered’ door het leren van de EBM-methodiek met als gevolg een verbetering van de communicatie met specialisten en collega’s. Naast voordelen als de toegenomen vaardigheden en professionalisering werden ook activiteiten die plaatsvinden binnen de academische werkplaatsen van het UWV en activiteiten als het updaten van richtlijnen genoemd als toepassingsgebieden voor EBM.

Voor het op grotere schaal invoeren van evidence-based werken door verzekeringsartsen, ziet Kok de bevordering van EBM-casuïstiekgroepen als de meest veelbelovende aanpak. Dit geldt vooral wanneer deze groepen leiden tot het opstellen van mediprudentie die ook weer door andere verzekeringsartsen gebruikt kan worden. Het structureren van deze bijeenkomsten volgens de stappen van de EBM-methodiek, blijkt bijzonder behulpzaam voor de deelnemende verzekeringsartsen.

Het verder ontwikkelen van een goede kennisinfrastructuur is wel een noodzakelijke voorwaarde voor genoemde innovaties waarbij in eerste instantie gedacht wordt aan een helpdesk met EBM expertise om evidence-based werken te bevorderen, maar ook aan het garanderen van de toegang tot full tekst artikelen vanaf de werkplek en aan de ontwikkeling van evidence-based richtlijnen. Een andere belangrijke factor is daarnaast meer waardering van managers voor het feit dat de professionals hun werk meer evidence-based uitvoeren, mede als onderdeel van de kwaliteitscyclus.

Rob Kok
//