Interview prof. dr. Frederieke Schaafsma ‘Ik wil meer verbinding tussen wetenschap en praktijk’

Meer verbinding tussen praktijk en wetenschap, meer aandacht voor de biologische kant van overspannenheid, meer samenwerking binnen en tussen verschillende disciplines, en een sterkere focus op preventie. Per 1 juli 2020 is prof. dr. Frederieke Schaafsma aangesteld als bijzonder hoogleraar arbeids- en bedrijfsgeneeskunde en ze zit vol ambities. Een interview over de richting van het vak.

Gefeliciteerd met uw benoeming als hoogleraar arbeids- en bedrijfsgeneeskunde aan het Amsterdam UMC, afdeling Coronel Instituut voor Arbeid en Gezondheid. Blij met uw benoeming?
Ja, ik ben een enthousiaste bedrijfsarts die het vak een heel warm hart toedraagt. Ik geloof in de meerwaarde van arbeids- en bedrijfsgeneeskunde. Tegelijkertijd denk ik dat we veel meer onderzoek zouden moeten doen, waarbij er meer verbinding komt tussen onderzoek en praktijk.’

Uw leerstoel wordt betaald vanuit de bedrijfsartsenvereniging NVAB. Hoe vindt u het dat de NVAB dit mogelijk maakt?
Het laat zien dat de NVAB het heel belangrijk vindt dat de academisering van ons vakgebied blijvend gestimuleerd wordt. Ik vind het heel goed dat de NVAB dit zo overduidelijk doet, ook als teken naar de buitenwereld.’

U volgt Carel Hulshof op die na negen jaar met emeritaat is gegaan. Wat ziet u als zijn belangrijkste erfenis?
Carel heeft vooral een grote bijdrage geleverd aan het opzetten van het Kwaliteitsbureau NVAB en het meehelpen coördineren en opzetten van richtlijnen. Daarnaast heeft hij, zeker de laatste jaren, het onderwerp preventie met diverse onderzoeksprojecten meer op de kaart gezet. Zijn bijdrage aan allerlei onderzoeksprojecten op ons vakgebied, zowel nationaal als internationaal, is groot geweest.

Is het ontwikkelen van (multidisciplinaire) richtlijnen, met name voor bedrijfsartsen, een rol die u ook wilt gaan vervullen?
Niet op zijn manier. Hij heeft veel bijgedragen aan  het ontwikkelen van de richtlijnen, ik wil me meer inzetten op de implementatie, met name op het beter laten aansluiten van de richtlijnen op de praktijk. Tegelijkertijd wil ook ik meedenken over wetenschappelijk onderzoek dat relevant is voor ons vakgebied en meedenken over de verdere ontwikkeling en vooruitgang in ons vakgebied. Waar moeten we met ons vak naar toe?’

Waar moeten we met ons vak naar toe? Wat is daarop uw antwoord?
We hebben tot nog toe veel onderzoek gedaan naar verzuimbegeleiding en vooral het psychologische en sociale aspect benadrukt. Ik denk dat we voor een aantal aandoeningen het biologische een beetje uit het oog zijn verloren. Zeker als het gaat over een van de grote onderwerpen, overspannenheid, zouden we meer kunnen gaan kijken naar de biologische kant. Daarnaast zijn er veel ontwikkelingen in ons werkend bestaan die maken dat we meer moeten gaan nadenken over wat dat doet met onze gezondheid en dan met name van de hersenen en het cognitief functioneren. Wat voor impact heeft dat?’

Als u het heeft over de biologische kant van overspannenheid, waar moet ik dan aan denken?
‘Vanuit de stressfysiologie kunnen we vrij goed zien welke reacties in het lijf gebeuren bij een stressreactie. Maar we zouden dat eigenlijk nog veel meer willen weten voor chronische stress. Als je langdurig onder druk wordt gezet op je werk, wat gebeurt er dan in je lijf en in je brein? Ik denk dat we dat onderwerp veel meer naar ons toe moeten trekken als we echt vooruit willen in ons vakgebied. Dat is dus een deel van mijn antwoord op de vraag waar we naar toe moeten met ons vak.’

En verder?
‘In lijn van wat Carel heeft ingezet moeten we aan de preventiekant nog veel nadrukkelijker nadenken en vooral samenwerken met andere disciplines, zowel binnen ons vakgebied als daarbuiten. Samen met arbeidshygiënisten en veiligheidsdeskundigen kunnen we eerder zien wat de omstandigheden zijn waardoor mensen misschien ziek kunnen worden. Maar als we niet samenwerken met huisartsen missen we een belangrijk stuk van de vroegsignalering. Als we die poortwachters meer betrekken, kunnen we ons eigen vak veel beter uitvoeren. Als we preventie echt serieus nemen, moeten we veel meer gaan samenwerken.
Het rapport van de commissie Heerts over gevaarlijke stoffen zie ik als een mooie wake-up call om meer te gaan nadenken over de preventieve kant van ons vak. Die moeten we echt meer naar ons toe gaan trekken. Daarin zie ik zowel voor het NCvB als voor de polikliniek Mens en Arbeid een belangrijke taak.’

Wat ziet u in u nieuwe rol als bijzonder hoogleraar als belangrijkste taak?
‘Mijn allerbelangrijkste taak is het leggen van verbinding tussen mensen in de wetenschap en in de praktijk, met name de bedrijfsartsen maar ook de andere professionals in de Arbowereld. Dat betekent dat ik zichtbaar moet zijn voor beide partijen en heel veel zal uitleggen over wat er gebeurt in de praktijk, maar ook over wat er aan onderzoek beschikbaar is in de wetenschap. Verbinding is het belangrijkste.’

Helpt het in het zoeken naar die verbinding dat u zelf ook nog als bedrijfsarts actief bent?
Ja. En ik probeer echt tegenwicht te geven tegen onderzoeksprojecten die wetenschappelijk heel interessant zijn maar waarbij je je kunt afvragen wat de praktijk eraan heeft. Die discussie zal ik elke keer aangaan.’

U bent hoofd van de polikliniek Mens en Arbeid van Amsterdam UMC en werkt hier ook nog een dag per week. Wat gaat goed? Wat kan beter?
Ik denk dat we als bedrijfsartsen nu vooral bezig zijn met alles doen volgens de Wet Verbetering Poortwachter en dat is niet de goede weg. We moeten de zorgtaak wat meer naar ons toe trekken. Als het gaat om het onderzoek daarnaar moeten we goed nadenken over voor wie we het eigenlijk doen. Wordt die persoon daar blijer van? Hoe kijkt de werknemer aan tegen de zorg die we leveren? Hoe tevreden is hij? En draagt wat wij doen bij aan kwaliteit van onderzoek?’

Waarop richt u zich op in uw eigen onderzoek?
‘Mijn persoonlijke interesse gaat meer uit naar de arbeidsgerichte zorg vanuit het ziekenhuis. Waarbij ook de medisch specialist, bij voorkeur samen met een arbeidsgeneeskundige, veel meer nadenkt over de kwaliteit van werk als uitkomstmaat. Ik zou er graag persoonlijk aan bij willen dragen dat we veel meer de arbeidsgeneeskunde naar het ziekenhuis te trekken. Om op die manier vanuit de zorg de verbinding te maken naar het individu.’

Welke impact heeft de coronacrisis op ons vakgebied?
‘Een enorme impact. We hebben nog geen flauw idee wat de gevolgen zijn. Wat zijn de langere termijngevolgen van een infectie? Met welke restverschijnselen kampen medewerkers? Wat zijn de gezondheidsrisico’s op het werk? Het hele vakgebied wordt hierdoor beïnvloed. Wat betekent thuiswerken? Het gaat om nieuwe onderwerpen die we ons eigen moeten maken. Dat doen we nu vanuit de praktijk, maar daar zal ook vanuit het onderzoek veel kennis over ontwikkeld worden.’

Wat gaan bedrijfsartsen merken van de richting waarin u het vak verder wilt brengen?
‘Ik hoop dat we de komende jaren vanuit de NVAB de richtlijnen nog meer toepasbaar kunnen maken voor de praktijk, zodat nog meer bedrijfsartsen ervaren wat de meerwaarde is. Verder zullen bedrijfsartsen wellicht merken dat cognitief functioneren en de biologische kant van beroepsziekten meer aandacht krijgen. En ze zullen veel meer zullen horen over het ICF-model.’

Waarin verschilt het ICF-model van het ICD-model dat artsen nu gebruiken?
Het ICD-systeem richt zich op ziekten, het ICF-model dat al veel langer in de revalidatie wordt gebruikt legt meer de relatie tussen ziekte en functioneren en houdt rekening houdt met externe factoren, zoals de werkcontext en de persoon. Ik denk en hoop dat we dit model gaan omarmen binnen ons vakgebied.’