Smaakverandering door cytostatica?

Een oncologieverpleegkundige kwam op het spreekuur met smaakverandering (bittere smaak, minder goede smaak) die werkgerelateerd lijkt. Zou er een relatie kunnen bestaan?

Achtergrond
Een oncologieverpleegkundige kwam op het spreekuur met smaakverandering (wat bittere smaak, minder goede smaak) die werkgerelateerd lijkt. Ook collega's zouden er last van hebben, waarbij de smaak weer herstelt, als ze een tijdlang niet gewerkt hebben. Mevrouw staat bekend als een serieuze, betrokken, ongecompliceerde medewerker. Door haar werk zal incidenteel contact met cytostatica voor kunnen komen, maar allerlei voorzorgsmaatregelen worden wel in acht genomen. Zou er toch een relatie kunnen bestaan?

Antwoord
Onder de medicatie die bij méér dan 1% van de patiënten reuk- of smaakstoornissen opwekt worden de volgende cytostatica genoemd: 

bleomycine hypogeusie
doxorubicine hypogeusie
5- fluorouracil  bittere phantogeusie
gallium dysgeusie
interleukine-2   hypogeusie en hyposmie
methotrexaat    hypogeusie
vincristine   hypogeusie

[Bron: Jain, K.K., Drug-induced neurological disorders, Bern, Hogrefe & Huber, 1996]

Het is dus beslist niet onmogelijk dat een oncologieverpleegkundige een dysgeusie ontwikkelt.
Al met al toch wel ondersteuning voor een mogelijk causaal verband

Differentiaal diagnostisch moet natuurlijk ook aan tal van oorzaken worden gedacht, zoals facialisparese, tumoren, roken, alcoholgebruik, letsels, tandproblemen, vitaminegebrek, TIA's, herpesinfecties, Sjògren, MS, Parkinson en bv Lyme. Ook blootstelling aan andere neurotoxische stoffen (o.a. zware metalen) moet worden overwogen. [Literatuur: Stinis H.P.J. Reukstoornissen door het werk. Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde, 10 (2002), p. 277-279]

Vervolg
Collega M. van der Wall (bedrijfsarts Erasmus MC) heeft dit verder goed uitgezocht: mevrouw is twee maanden gedetacheerd bij een andere afdeling, waar geen patiënten worden behandeld met cytostatica. Haar klachten zijn grotendeels verdwenen. De bittere smaak is weg. Ze heeft nog wel het gevoel dat de smaak wat verminderd is. Ze merkt dat de smaak langzaam terugkomt.
Internistisch onderzoek leverde geen aanknopingspunten op voor een verklaring van haar klachten. Er loopt nog een onderzoek naar een stapeling van zware metalen als mogelijke oorzaak, waarvan nog geen uitslag bekend is.
Arbeidshygiënisch onderzoek leverde geen aanwijzingen op voor een mogelijk te hoge blootstelling evenmin als de (eenmaal per jaar door apotheek) uitgevoerde veegproeven.

De (reversibele) klachten van mevrouw zijn mogelijk veroorzaakt door een locale aerogene expositie (van neus en mondholte) met een lage concentratie door excreten (met name braaksel, urine en feaces) waar volgens de apotheker tot een week na behandeling nog resten van cytostatica in terug te vinden zijn.
Mevrouw heeft ervoor gekozen definitief naar een ander functie over te gaan. Samen met arbeidshygiënist en apotheker zal in een voorlichting nogmaals 'het veilig werken met cytostatica' onder de aandacht worden gebracht.