Zware metalen in urine bij lassers; wat betekent dit?

Achtergrond

Bij onderzoek van een grote groep lassers werd bij verschillende medewerkers in de urine een verhoogde waarde van metalen als arseen, nikkel, zink, chroom, koper, barium en ijzer gevonden. De bedrijfsarts vond wel gegevens over de effecten op de gezondheid van blootstelling aan arseen, nikkel en chroom, maar niet van ijzer, koper, barium en zink. Hij vroeg om advies, want de directie van het bedrijf was verontrust. Wat kon hij aan medewerkers en directie melden?

Antwoord

Een goed en recent overzicht van de effecten van lassen op de gezondheid is verschenen in de laatste editie van Hunters Diseases of Occupations [Grant 2001]. In deze 'bijbel van de beroepsziekten' staat ook compact de arbeidstoxicologie van zware metalen beschreven.

Bepaling van zware metalen in de urine is een vorm van biologische monitoring die in bepaalde situaties een meerwaarde kan hebben als aanvulling op omgevingsmonitoring [Bos, 1998]. Bijvoorbeeld in nieuwe of veranderde werksituaties als uit omgevingsmetingen blijkt dat er verhoogde luchtconcentraties aanwezig zijn. Biologischemonitoring of Biomonitoring zegt iets over de blootstelling en dus over het potentiële risico, maar niets over hetklinisch effect.

Een verhoogde waarde van metalen in de urine is alleen te interpreteren als er het een en ander bekend is over de toxicokinetiek van dat metaal. Koper wordt bijvoorbeeld in het lichaam uitgescheiden via de galblaas en zink door de darmwand. Voor deze metalen is de concentratie in de urine dus geen goede methode van biologische monitoring. Barium wordt vooral via de darm, maar deel ook in de urine uitgescheiden. Er is uit onderzoek bekend dat bij lassers met urinewaarden tot 100µg/l geen effecten op de gezondheid zijn beschreven [Zwiesche 1992].

 Koper, zink en ijzer zijn voor het lichaam essentiële elementen die vooral via de voeding worden opgenomen. Bij specifieke stofwisselingsziekten is stapeling van bijvoorbeeld ijzer en koper beschreven; maar dit wordt niet gerelateerd aan beroepsmatige blootstelling. 'De elementen zijn alleen schadelijk als ze als zinken, ijzeren of koperen bak op je hoofd vallen', aldus onze toxicoloog.

Biomonitoring van lood moet in het bloed gebeuren: verhoging van lood in de urine duidt op blootstelling aan organisch lood. Biomonitoring van chroom (Cr) en nikkel (Ni) in de urine kan bij RVS-lassers zinvol zijn. Monstername van de urine moet onder strikte, contaminatievrije omstandigheden plaatsvinden: buiten de bedrijfsruimte, handen wassen voor urinelozing, speciale sporemetaal-vrije buizen en dergelijke.

Bepaling is moeilijk door het grote risico op contaminatie en moet door een voor deze bepalingen geaccrediteerd laboratorium gedaan worden. Ter correctie moet de concentratie berekend worden als microgram/gram creatinine. Referentiewaarden voor chroom: normaal < 1 µg/g creat; bij RVS-lassers tot 100 µg/g creat; Referentiewaarde voor nikkel < 3 µg/g creat.

Deze overwegingen roepen de vraag op of het verstandig is ongericht onderzoek te doen bij een groep lassers. Wat wil de onderzoeker te weten komen? Zij er bij arbeidshygiënisch onderzoek aanwijzingen gevonden voor verhoogde risico's? En vóór je een onderzoek start, realiseer je dan wat de betekenis is van afwijkende waarden en bedenk vooraf een scenario om verder te komen.

Nu dit onderzoek toch gestart is, moet er echter helderheid komen over de betekenis van deze verhoogde waarden. Als duidelijk is dat er geen contaminatie van de monsters heeft plaatsgevonden en aan de kwaliteit van het laboratorium niet getwijfeld wordt, kan overwogen worden het onderzoek uit te breiden met een controlegroep van niet-blootgestelden, bijvoorbeeld kantoopersoneel. Intussen is bestudering van de arbeidstoxicologie van deze metalen nuttig om tot goede advisering en voorlichting te komen. Beperking tot de metalen met bekende arbeidstoxicologische risico's lijk hierbij aangewezen.

G.van der Laan, R.F.M.Herber

Literatuur:

Grant HG McMillan: Welding, fumes and inhalation fevers in: PJ Baxter, PH Adams, TC Aw, A Cockroft, JM Harrington, editors. Hunter's diseases of occupations 9th edition. Arnold, London, 2000.

Bos RP, Boogaard PJ, Herber RFM, Kort WLAM de, Monster AC, Pal TM. Biomonitoring, een onmisbaar Arbo-instrument, deel 1 begripsbepaling en doelstelling. TBV 1998:4: 103-9

Zschiesche W, Schaller KH, Weltie D. Exposure to barium compounds: an interventional study in arc welders. Int Arch Occup Environ Hlth 1992:64: 12-23