Posttraumatische Stress Stoornis (PTSS)

Wat wordt verstaan onder een (beroepsgebonden) PTSS?
PTSS is een stoornis die ontstaat als om een of andere reden een trauma niet goed verwerkt kan worden. De verschijnselen zijn in feite een normale reactie op ernstige dreiging. Het is een combinatie van lichamelijke en psychische verschijnselen. Typische verschijnselen van PTSS zijn:

  • Verhoogde prikkelbaarheid
  • Herbelevingen in de vorm van nachtmerries (gepaard met slecht slapen), herinneringen, flashbacks en dissociatie
  • Vermijding van prikkels of verdoofd reageren op de omgeving
  • negatieve gedachten en stemming

Voor patiënten informatie PTSS, zie folder van de NVVP1, en bij ‘Bronnen’ vermeldde websites. 
Indeling van deze pagina

Ziektebeeld / diagnostiek beroepsgebonden PTSS

Beschrijving van klachten, symptomen en stoornissen  |  Klinische diagnostiek PTSS (DSM-IV)  |  Differentiaal diagnose

Beschrijving van klachten, symptomen en stoornissen
Een beroepsgebonden Posttraumatische Stress Stoornis (PTSS, CAS code P620) is een ziektebeeld dat kan optreden na een of meer ernstige traumatiserende gebeurtenis(sen) in het werk. De gebeurtenissen, die men zelf ondergaat of waar men getuige van is, roepen een reactie op van intense angst, hulpeloosheid of afschuw.

Vier typen klachten zijn kenmerkend:

  1. symptomen van herbeleving van (delen) van het trauma;
  2. vermijding van personen of situaties die aan het trauma gerelateerd zijn;
  3. negatieve gedachten en stemming
  4. verhoogde prikkelbaarheid

Klinische diagnostiek Posttraumatische Stress Stoornis (DSM-5)2,3
In de DSM-5 wordt PTSS gerangschikt in het hoofdstuk Trauma- en stressorgerelateerde stoornissen.

Er moet sprake zijn geweest van een trauma, zoals:

A. De persoon is blootgesteld aan een  feitelijke of dreigende dood, ernstige verwonding en/of seksueel geweld, zoals bij:

  1. Het zelf overkomen van het trauma
  2. Persoonlijk getuige zijn geweest van het trauma terwijl dit anderen overkwam
  3. Vernemen dat het trauma  een naast familielid of goede vriend(in) is overkomen. De gebeurtenis moet geweld of een ongeval betreffen.
  4. Herhaaldelijke of extreme blootstelling aan afschuwwekkende details van het trauma (zoals bij het verzamelen van stoffelijke resten; herhaaldelijke confrontatie met kindermisbruik)

Via elektronische media is criterium 4. niet van toepassing, tenzij de blootstelling beroepsmatig is.
Er moet sprake zijn van onderstaande symptomen:

B. Herbeleven van het trauma:
Het trauma wordt voortdurend herbeleefd op één (of meer) van de volgende manieren:

  1. Zich herhalende, onvrijwillige en pijnlijke herinneringen aan het trauma
  2. Zich herhalende onaangename dromen waarin de inhoud en/of het affect van de droom samenhangt met het trauma
  3. Dissociatieve reacties waarbij de betrokkene het gevoel heeft of handelt alsof het trauma opnieuw plaatsvindt
  4. Intense of langdurige emoties bij blootstelling aan interne of externe prikkels die een deel van het trauma symboliseren of erop lijken
  5. Lichamelijke reacties op interne of externe prikkels die een deel van het trauma symboliseren of erop lijken.

C. Vermijden
Consequente vermijding van prikkels die geassocieerd worden met het trauma, zoals blijkt uit:

  1. Vermijden of pogingen tot vermijden van pijnlijke herinneringen, gedachten of gevoelens over, of samenhangend met, het trauma
    En/of
  2. Vermijden of pogingen tot vermijden van externe aspecten die aan het trauma herinneren (mensen, plaatsen, gesprekken, activiteiten, voorwerpen, situaties), die pijnlijke herinneringen, gedachten of gevoelens over, of samenhangend met, het trauma

D. Negatieve gedachten en stemming
Negatieve veranderingen in gedachten en stemming, gerelateerd aan het trauma, zoals blijkt uit twee of meer van de volgende kenmerken:

  1. Onvermogen om belangrijke delen van het trauma te herinneren
  2. Aanhoudende en overdreven negatieve overtuigingen of verwachtingen van zichzelf, anderen of de wereld
  3. Aanhoudende, vertekende cognities over de oorzaak of gevolgen van het trauma, die ertoe leiden dat de betrokkene zichzelf of anderen er de schuld van geeft.
  4. Aanhoudende negatieve gemoedstoestand (zoals angst, afschuw, boosheid, schuldgevoelens  of schaamte)
  5. Duidelijk verminderde belangstelling voor, of deelname aan, belangrijke activiteiten
  6. Gevoelens van onthechting of vervreemding van anderen
  7. Aanhoudend onvermogen om positieve gevoelens te ervaren (zoals onvermogen om geluk, voldoening of liefde te ervaren)

E. Hyperactivatie:
Aanhoudende symptomen van verhoogde prikkelbaarheid zoals blijkt uit twee of meer van de volgende symptomen:

  1. Prikkelbaar gedrag en woede uitbarstingen (met weinig of geen aanleiding), gewoonlijk tot uiting komend in verbale of fysiek agressie jegens mensen of voorwerpen.
  2. Roekeloos of zelfdestructief gedrag
  3. Overdreven waakzaamheid
  4. Overdreven schrikreacties
  5. Concentratieproblemen
  6. Slaapproblemen

Voor alle bovenstaande symptomen geldt dat zij zijn begonnen of verslechterd na de traumatische gebeurtenis.

F. De duur van de verstoringen (symptomen uit B, C, D, E) is langer dan een maand
G.  De verstoring veroorzaakt klinische significante lijdensdruk of beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren, of het functioneren op andere belangrijke terreinen
H. De stoornis kan niet worden toegeschreven aan de fysiologische effecten van een middel zoals medicatie, alcohol) of aan een somatische aandoening.
Met ‘uitgestelde expressie’ betekent dat er minstens de eerste zes maanden na het trauma niet volledig wordt voldaan aan de diagnostische criteria.

Differentiaal diagnose
Bij de differentiaal diagnose van PTSS dient naast de overige angststoornissen (voor meer informatie zie de DSM-52 en de CBO richtlijn4) de Acute Stress Stoornis overwogen te worden. De ASS komt grotendeels overeen met de posttraumatische stressstoornis (PTSS). Het grootste verschil met PTSS is het tijdscriterium: wanneer de symptomen korter duren dan één maand dan is er sprake van ASS. 

DSM-5 criteria voor de Acute Stressstoornis 

A. De persoon is blootgesteld aan een  feitelijke of dreigende dood, ernstige verwonding en/of seksueel geweld, zoals bij:

  1. Het zelf overkomen van het trauma
  2. Persoonlijk getuige zijn geweest van het trauma terwijl dit anderen overkwam
  3. Vernemen dat het trauma  een naast familielid of goede vriend(in) is overkomen. De gebeurtenis moet geweld of een ongeval betreffen.
  4. Herhaaldelijke of extreme blootstelling aan afschuwwekkende details van het trauma (zoals bij het verzamelen van stoffelijke resten; herhaaldelijke confrontatie met kindermisbruik)

Via elektronische media is criterium 4. niet van toepassing, tenzij de blootstelling beroepsmatig is.

B. De aanwezigheid van negen (of meer) van de volgende symptomen uit  elk van de vijf categorieën: intrusies (= dwanggedachten), negatieve stemming, dissociaties, vermijding en prikkelbaarheid.

Herbeleven van het trauma:

  1. Zich herhalende, onvrijwillige en pijnlijke herinneringen aan het trauma
  2. Zich herhalende onaangename dromen waarin de inhoud en/of het affect van de droom samenhangt met het trauma
  3. Dissociatieve reacties waarbij de betrokkene het gevoel heeft of handelt alsof het trauma opnieuw plaatsvindt
  4. Intense of langdurige emoties bij blootstelling aan interne of externe prikkels die een deel van het trauma symboliseren of erop lijken.

Negatieve stemming

Negatieve veranderingen in gedachten en stemming, gerelateerd aan het trauma, zoals blijkt uit twee of meer van de volgende kenmerken:

5 Aanhoudend onvermogen om positieve gevoelens te ervaren (zoals onvermogen om geluk, voldoening of liefde te ervaren)

Dissociatieve symptomen

6. Een veranderd gevoel van realiteit van de omgeving of van betrokkene zelf

7. De betrokkene kan zich een belangrijk aspect van het trauma niet herinneren

Vermijden

8. Pogingen tot vermijden van pijnlijke herinneringen, gedachten of gevoelens over, of samenhangend met, het trauma

9. Pogingen tot vermijden van externe aspecten die aan het trauma herinneren (mensen, plaatsen, gesprekken, activiteiten, voorwerpen, situaties), die pijnlijke herinneringen, gedachten of gevoelens over, of samenhangend met, het trauma

Hyperactivatie:

10. Slaapproblemen
11. Prikkelbaar gedrag en woede uitbarstingen (met weinig of geen aanleiding), gewoonlijk tot uiting komend in verbale of fysiek agressie jegens mensen of voorwerpen.
12. Overdreven waakzaamheid
13. Concentratieproblemen
14. Overdreven schrikreacties

Voor alle bovenstaande symptomen geldt dat zij direct zijn begonnen de traumatische gebeurtenis, maar om aan de criteria van de stoornis te voldoen moeten deze drie dagen tot een maand aanhouden.

D.  De verstoring veroorzaakt klinische significante lijdensdruk of beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren, of het functioneren op andere belangrijke terreinen
E. De stoornis kan niet worden toegeschreven aan de fysiologische effecten van een middel zoals medicatie, alcohol) of aan een somatische aandoening.

Relatie met beroep / arbeidsomstandigheden

Er is sprake van een beroepsgebonden PTSS als de traumatische ervaring die ten grondslag ligt aan de PTSS tijdens het werk heeft plaatsgevonden. Ter bepaling van het al dan niet beroepsgebonden zijn van een PTSS kan de NCvB registratie richtlijn5 gehanteerd worden.

Epidemiologie

Hoe vaak de aandoening PTSS in de beroepsbevolking voorkomt, is niet bekend. In de algemene Nederlandse bevolking wordt dit geschat op 8% ( Ollf et al, 2004)6. Er zijn cijfers bekend van PTSS klachten bij werknemers die in hun beroep regelmatig betrokken zijn bij traumatische incidenten, zoals ambulancemedewerkers en politie- en brandweermensen. Bij de politie bleek 34% na een traumatisch incident PTSSklachten te hebben, terwijl bij nadere diagnostiek 7% een PTSS-stoornis had (Carlier, et al, 1997)7. Bij veel politiemensen zijn de PTSSklachten dus kortdurend en verdwijnen vanzelf, terwijl bij 1 op de14 echt een stoornis ontstaat. Uit de meldingen van een peilstation politie bleek PTSS de meest gemelde beroepsziekte voor uitvoerend personeel (42%) (Kuijer et al, 2005)8.  

Prognose
Ongeveer de helft van de volwassenen herstelt volledig binnen drie maanden. Echter sommige mensen vertonen symptomen langer dan een jaar en soms meer dan vijftien jaar. De symptomen kunnen terugkeren en toenemen als reactie op aspecten die herinneringen aan het oorspronkelijk trauma oproepen of bij aanhoudende levensstressoren, of nieuwe traumatische gebeurtenissen. Bij oudere mensen kunnen een afnemende gezondheid, verslechterd cognitie functioneren en sociaal isolement de PTSS-symptomen verergeren2.

Het rapport PTSS bij de politie, een beter beeld, 20139, beschrijft de resultaten na behandeling bij de politiepoli: 96% van de 566 politiemensen niet langer de diagnose PTSS. In totaal is 84% van de behandelde politiemensen volledig diagnosevrij (d.w.z. ze hebben ook geen andere diagnose, zoals depressie). Toch heeft 60% van de behandelde politiemensen last van restklachten, met name concentratieproblemen: één op de zes politiemensen kampt hiermee na behandeling.

Voorspellende factoren voor het beloop
Algemene risicoverhogende en beschermende factoren voor het ontwikkelen van een PTSS na een traumatiserende gebeurtenis worden in de DSM-52 verdeeld in:

Pre-traumatische factoren:

  • Temperament, zoals emotionele problemen voor het 6e levensjaar en eerdere psychische stoornissen
  • Omgeving, zoals o.a. lagere sociaaleconomische status, lagere opleiding, blootstelling aan eerder trauma, culturele kenmerken en een psychiatrische familiegeschiedenis. Sociale ondersteuning vóór blootstelling aan het trauma heeft een beschermende werking.
  • Genetica en fysiologie: vrouwelijk geslacht en jongere leeftijd op het moment van het trauma (bij volwassenen)
    Peri-traumatische factoren:
  • Omgeving, zoals o.a. ernst van het trauma, de mate van ervaren levensbedreigend karakter, persoonlijk letsel en interpersoonlijk geweld. Dissociatie tijdens het trauma kan een risicofactor vormen.

Post-traumatische factoren:

  • Temperament, zoals negatieve cognities, inadequate copingstrategieën en het ontwikkelen van een acute stressstoornis.
  • Omgeving, zoals o.a. beangstigende herinneringen, erop volgende negatieve levensgebeurtenissen, en financiële of andere met het trauma samenhangende verliezen. Sociale ondersteuning is een beschermende factor die de uitkomst na een trauma positief kan beïnvloeden.

Blootstelling, belastende factoren

Het risico om PTSS te ontwikkelen na een traumatische gebeurtenis hangt onder andere af van de aard van de meegemaakte gebeurtenis. De kans dat een werknemer PTSS ontwikkelt na een verkrachting of na het vechten in een oorlog is groter dan bij een ramp met een natuurlijke oorzaak.

Vaststelling van de blootstelling
Een traumatische gebeurtenis is iets anders dan een ernstig nare gebeurtenis. Een trauma is een gebeurtenis die buiten het patroon van de gebruikelijke menselijke ervaringen ligt en die duidelijk leed zou veroorzaken bij vrijwel iedereen. Een traumatische ervaring kan worden gedefinieerd als een gebeurtenis die een dreigende dood of ernstige verwonding met zich meebrengt, of die een bedreiging vormt voor de lichamelijke integriteit van de persoon (bv. verkrachting). De gebeurtenis kan direct zijn (de gebeurtenis is een bedreiging van de eigen persoon of van een directe naaste) of indirect (getuige zijn van een ernstig ongeval).

Beroepen waarin de beroepsziekte voorkomt
Risico op beroepsgebonden PTSS lopen met name politie, brandweer, ambulancepersoneel en militairen. Daarnaast kan PTSS voorkomen in beroepen waar een bedreigende situatie kan voorkomen zoals bij bank- en winkelpersoneel (overvallen), medewerkers in de gezondheidszorg (verpleegkundigen), sociale dienstverlening (sociale dienst, jongerenwerk) en controlerende functies (treinconducteurs, tram- en buschauffeurs). Een laatste categorie betreft beroepen in de transportsector waar ongevallen een belangrijke bron van traumatische gebeurtenissen zijn (bus- en vrachtwagenchauffeurs en treinmachinisten).

Invloed bijdragende factoren

  • Zie ‘voorspellende factoren beloop’

Preventie
Primaire preventie van PTSS betekent het voorkomen van traumatische gebeurtenissen op de werkplek. Dit verdient de voorkeur voor zover dit voorkombare incidenten zijn. Secundaire preventie kan worden ingezet om het ontwikkelen van PTSS na een traumatische gebeurtenis te voorkomen.

In de Richtlijn Psychosociale ondersteuning geüniformeerden10 wordt georganiseerde collegiale ondersteuning aanbevolen ter preventie van psychosociale problemen. Deze bestaat uit een ‘operationele debriefing’ waaronder wordt verstaan een nabespreking waar het achterhalen van de feiten centraal staat met ruimte voor emoties echter zonder deze actief uit te vragen. Het doel van de collegiale ondersteuning is het bieden van praktische hulp, het stimuleren van een gezonde verwerking, het vroegtijdig signaleren en tijdige doorverwijzing, het monitoren van het proces van verwerking; aandacht schenken aan het sociale netwerk en aan (eventuele) negatieve reacties uit de omgeving.

Het blijkt namelijk dat een eenmalige psychologische debriefing chronische PTSS-symptomen niet voorkomt (Van Emmerik et al, 2002)11. Er zijn zelfs aanwijzingen voor een mogelijk schadelijk effect van Critical Incident Stress Debriefing, een van de verschillende vormen van debriefing.

Een korte cognitief-gedragstherapeutische interventie - bestaande uit psycho-educatie, imaginaire exposure, in vivo exposure en cognitieve herstructurering, en beginnend binnen drie maanden na een traumatische gebeurtenis - kan chronische PTSS voorkomen. Daarnaast bleek recent dat een kortdurende schrijfinterventie, waarin slachtoffers onder andere in detail de meest pijnlijke feiten en emoties met betrekking tot de traumatische gebeurtenis beschreven, in elk opzicht even effectief blijkt als cognitief-gedragstherapeutische interventie, en een belangrijke uitbreiding is van de interventiemogelijkheden bij traumaslachtoffers (Van Emmerik 2013, zie http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/23295550)12

Individueel casemanagement

Behandelingen (curatief)
Bij de behandeling van de posttraumatische stressstoornis (PTSS) wordt in overleg met de patiënt een keuze gemaakt tussen farmacologische en psychologische behandeling, waarbij enige voorkeur bestaat voor psychologische behandeling. Meer informatie vindt u in de CBO richtlijn Angststoornissen .

Met betrekking tot de psychologische behandeling kan in overleg met de patiënt een keuze gemaakt worden voor imaginaire exposure zonodig in combinatie met cognitieve therapie versus Eye Movement Desensitization and Reprocessing (EMDR). Bij onvoldoende resultaat kan na EMDR worden overgestapt op imaginaire exposure al of niet gecombineerd met cognitieve therapie en vice versa. 

Bij de farmacotherapie van PTSS geldt de volgende overweging: een serotonerg tricyclisch antidepressivum (TCA) en een selectieve serotonineheropnameremmer (SSRI) blijken even effectief. Op grond van tolerantie en veiligheid genieten SSRI's de voorkeur.

Bronnen

  1. Patiënten Folder NVVP
    http://www.ggzingeest.nl/ce-themapaginas/patientenvoorlichting/praktische-informatie/nvvp-folders/2980422/Posttraumatische_stress_sto1.pdf
    Websites met informatie:
    https://www.amc.nl/web/AMC-website/PTSS/Wat-zijn-de-symptomen/DSM5-Criteria.htm
    http://www.amcpsychiatrie-angst.nl/behandeling_angststoornissen_posttraumatische_stress_stoornis.htm
    http://hulpgids.nl/informatie/ziektebeelden/trauma-en-stressorgerelateerde-stoornissen/posttraumatische-stress-stoornis/
    http://www.pdcentrum.nl/politiepoli/info/over_ptss.htm
  2. Handboek voor de classificatie van psychische stoornissen DSM-5. Nederlandse vertaling van Diagnostic and statistical manual of mental disorders, fifth edition. 2014. American Psychiatric Association, p/a/ Uitgeverij Boom, Amsterdam
  3. https://www.amc.nl/web/AMC-website/PTSS/Wat-zijn-de-symptomen/DSM5-Criteria.htm
  4. CBO richtlijn Angststoornissen
  5. Registratie richtlijn NCVB
  6. Olff M, Vries G-J de. Prevalence of Trauma and PTSD in the Netherlands. Proceedings of the 20th Annual Meeting of the International Society for Traumatic Stress Studies.14-18 november 2004, New Orleans, USA.
  7. Carlier IV, Lamberts RD, Gersons BP. Risk factors for posttraumatic stress symptomatology in police officers: a prospective analysis. Journal of Nervous and Mental Disease 1997; 185(8):498-506 
  8. Kuijer P, Sorgdrager B, Schop A, Braam I, Spreeuwers D. Diagnose, incidentie en verzuimduur van gemelde beroepsziekten bij de politie. TBV 2005; 13 (11): 328-332
  9. PTSS bij de politie, een beter beeld. 2013  https://www.politieacademie.nl/kennisenonderzoek/kennis/kennisdossiers/pw/Documents/PTSS%20bij%20de%20politie%20-%20een%20beter%20beeld.pdf
  10. Richtlijn Psychosociale zorg voor geüniformeerden.2010. www.impact-kenniscentrum.nl
  11. Van Emmerik, A. A., Kamphuis, J. H., Hulsbosch, A. M., & Emmelkamp, P. M. 2002. Single session debriefing after psychological trauma: a meta-analysis. Lancet, 360(9335): 766-771.
  12. Van Emmerik AA, Reijntjes A, Kamphuis JH. Writing therapy for posttraumatic stress: a meta-analysis. Psychother Psychosopm. 2013;82 (2). Doi: 10.1159/000343131
  13. Beroepsziekten in Cijfers 2014. NCvB http://www.beroepsziekten.nl/sites/default/files/documents/beroepsziekten_in_cijfers_2014.pdf

Recente literatuur

Beroepsziekten in Cijfers (BIC) 2014: PTSS staat volop in de aandacht
Skogstad et al. (2013) hebben recent een literatuuronderzoek uitgevoerd naar beroepsgroepen met een verhoogd risico op PTSS. Zij vonden dat politieagenten, brandweerlieden en ambulancepersoneel een verhoogd risico hadden. Werknemers die getraind waren in het omgaan met stressvolle situaties hadden minder kans op het ontwikkelen van een PTSS. Bepaalde persoonlijkheidskenmerken, doorgemaakte psychiatrische aandoeningen en slechte sociale ondersteuning werden gezien als risicofactoren. Eigen keuze voor een beroep en selectie bij aanname werden beschreven als preventieve factoren. Na een trauma werd de kans op een PTSS verkleind door een gezonde werkomgeving, ondersteuning van collega’s en managers en een goede begeleiding van de betreffende werknemers.
Utzon-Frank et al. (2014) hebben de literatuur onderzocht op het voorkomen van PTSS  met een uitgesteld begin, dat wil zeggen langer dan 6 maanden na het oorzakelijk incident. Ongeveer 25% van de PTSS diagnoses bleek PTSS met een uitgesteld begin te zijn. PTSS met een uitgesteld begin bleek tweemaal zo vaak voor te komen bij een beroepsmatige PTSS, (militairen, politie en hulpdiensten) dan bij een niet-beroepsmatige PTSS. Een PTSS met een uitgesteld begin bleek vaak vooraf te worden gegaan door PTSS-symptomen.
Ook in Nederland wordt veel onderzoek naar PTSS verricht. Vermetten en Olff (2013) beschrijven de lange traditie van aandacht voor en onderzoek naar PTSS in Nederland. Mondiaal gezien behoren Nederlandse auteurs tot de top 7 met betrekking tot het aantal publicaties. PTSS komt in Nederland niet meer voor dan in andere landen met een prevalentie van 7,4%. De  verklaringen voor de grote aandacht worden gezocht in  de Nederlandse geschiedenis als de impact van de Tweede Wereldoorlog, rampen, betrokkenheid bij militaire conflicten maar ook kleinere traumatische incidenten als seksueel misbruik en verkeersongevallen. Zij zien de liberale en open Nederlandse cultuur als een reden voor afname van het stigma op trauma. Enkele voorbeelden van recent Nederlands onderzoek zijn de artikelen van Lommen, Plat en Morina.
Lommen heeft in een prospectieve studie bij Nederlandse militairen onderzocht of individuele verschillen in het kunnen afleren van angst voor een uitzending naar Afghanistan voorspellend waren voor posttraumatische klachten na de uitzending. Uit de resultaten bleek dat het moeilijk afleren van angst voor uitzending een voorspeller was voor de ernst van PTSS-symptomen twee maanden na uitzending. Uit deze studie komt dat het moeilijk afleren van angst bijdraagt aan de ontwikkeling van PTSS-symptomen. Ook bleek dat neuroticisme en boosheidsdispositie mede bepalend waren voor de kwetsbaarheid ten aanzien van PTSS.
Plat et al. (2013) hebben onderzocht hoeveel politieagenten er voor en na een 16-weekse behandeling voor PTSS nog ziek thuis dan wel aan het werk waren en welke factoren van invloed waren op terugkeer naar werk. Aan het begin van de behandeling waren 59 van de 121 agenten ziek thuis, na de behandeling nog maar 13. Onderzoek naar persoonsfactoren zoals sekse en leeftijd, PTSS klachten en werkgerelateerde factoren gaven hiervoor geen verklaring. De aanbeveling was om tijdens de behandeling meer aandacht te besteden aan terugkeer naar werk.
Morina et al. (2014) hebben de literatuur onderzocht op het vóórkomen van spontane remissie van  PTSS bij volwassenen na 10 maanden zonder gerichte behandeling. Gemiddeld was 44% in remissie. Er was een grote spreiding van 8 tot 89% tussen de studies. Publicaties over PTSS rapporteerden de hoogste remissie na een natuurramp  (60%) en de laagste (31%) bij PTSS naar aanleiding van ziekte. De remissie percentages voor PTSS met een uitgesteld begin zijn slechter: in studies met PTSS met het begin binnen vijf maanden na het trauma, was de remissie 52% en in studies met PTSS met het begin later  dan vijf maanden na het trauma was de remissie 37%.

Lommen MJJ. Vulnerability to posttraumatic stress disorder. Proefschrift 2013. Universiteit Utrecht.

Morina N, Wicherts JM, Lobbrecht J Priebe S. Remission from post-traumatic stress disorder in adults: a systematic review and meta-analysis of long term outcome studies. Clinical Psychology Revuew 34 (2014) 249-255

Plat M-C, Westerveld G, Hutter R et  al. Return to work: Police personnel and PTSD. Work 2013;46:107-111

Skogstad M et al. 2013.Work-related post-traumatic stress disorder. In-depth review. Occup Med (Lond). 2013 Apr;63(3):175-82. doi: 10.1093/occmed/kqt003. Review

Utzon-Frank N, Breinegaard N, Bertelsen M, etal. Occurrence of delayed-onset post-traumatic stress disorder: a systematic review and meta-analysis of prospective studies. Scand J Work Environ Health 2014; 40(3):215-229

Vermetten E, Olff M. Psychotraumatology in the Netherlands. European Journal of Psychotraumatology 2013, 4: 20832 – http://dx.doi.org/10.3402/ejpt.v4i0.20832

 

Herschreven 08-10-2015 Gerda de Groene