Overslaan en naar de inhoud gaan
Door redactie op 29-04-2025 - 08:37

Afscheidsinterview prof. dr. ir. Lex Burdorf

Hoogleraar determinanten van volksgezondheid prof. dr. ir. Lex Burdorf gaat in mei met emeritaat. Hij was tot voor kort hoofd van de afdeling Maatschappelijke Gezondheidszorg van het Erasmus MC. In dit afscheidsinterview blikt hij terug op veertig jaar onderzoek naar arbeid en gezondheid en naar de rol die bedrijfsartsen (zouden moeten) hebben in de verschuiving naar een meer integrale en preventieve benadering. ‘De bedrijfsarts moet de waarde van werk meer buiten de spreekkamer brengen.’

In uw onderzoek heeft u altijd veel aandacht gehad voor werk als belangrijke determinant voor gezondheid. Vanwaar deze focus op arbeid?

‘Dat is helemaal niet vanzelf gegaan. Ik was een van de eerste onderzoekers binnen Europa die zich richtte op wat het niet hebben van werk betekent voor je gezondheid. Ik deed onderzoek onder langdurig werklozen in Rotterdam en merkte hoe groot de gezondheidsproblemen waren in deze groep. Vanuit de arbeids- en gezondheidshoek was daar nog helemaal geen aandacht voor. Het ontbreken van werk was niet alleen het gevólg van het hebben van gezondheidsproblemen, maar ook een oorzaak. Ik toonde aan dat werk een van de belangrijkste determinanten is voor gezondheid. Twintig tot vijfentwintig jaar geleden keken we vrijwel alleen naar de schade van werk, denk aan zwaar werk, gevaarlijke stoffen en allergenen. Ik draaide het om en dat bleek een gouden greep.’

U stelt dat de invloed van werk op de mentale en fysieke gezondheid van doorslaggevend belang is en dat het daarbij nauwelijks uitmaakt of de arbeid past bij iemands werk- en denkniveau. Hoe verhoudt zich dat tot de hoge incidentie van psychische aandoeningen door werk, die bovenaan de lijst van werkgerelateerde aandoeningen staat?

‘Ik wil niet ontkennen dat er in werk schadelijke factoren zijn. Maar wat wij hebben laten zien, is dat weer werken na langdurig uit het arbeidsproces te zijn geweest, grote positieve consequenties heeft voor de gezondheid. Het is prima om te kijken naar risicofactoren voor het ontstaan van ziekten door werk, maar we moeten óók kijken naar de positieve invloed van werk op de gezondheid en ons dus richten op het zo organiseren van werk dat meer mensen mee kunnen blijven doen. Dat wordt steeds belangrijker nu de tekorten aan arbeidskrachten overal oplopen. De komende drie, vier jaar worden werkgevers hard geconfronteerd met tekorten op de arbeidsmarkt. Ze kunnen zich het uitvallen van oudere werknemers niet meer veroorloven. We moeten dus op zoek naar andere manieren om werk te organiseren. Ik hou mijn hart vast met het nieuwe kabinet maar zou ze willen zeggen: ‘Alle ballen op werk!’.

Hoe ziet u de rol van bedrijfsartsen hierin?

‘De uitdaging voor de bedrijfsarts is om weer meer naar de preventieve kant te gaan. Zij kunnen werkgevers helpen om werk zo in te richten dat iedereen optimaal kan blijven werken. Nu gaat er te veel tijd in de spreekkamer naar ziekteverzuim. De overgang naar de meer preventieve kant vraagt wel wat van bedrijfsartsen.’

U zegt ‘weer meer’. Lag de focus van de bedrijfsarts vroeger meer op preventie?

‘Zeker. Toen ik begon met onderzoek kwam ik vooral bij bedrijven binnen via de bedrijfsarts. De laatste tien, vijftien jaar gebeurt dat vooral via directies en de afdeling HR. Bedrijfsartsen blijven in hun spreekkamer en spelen nauwelijks een rol daarbuiten. Ik verwacht dat de wal het schip gaat keren. We moeten echt zorgen dat bedrijfsartsen voldoende geëquipeerd zijn om op populatieniveau te gaan werken.’

U werkte aan de University of Göteborg in Zweden en wijst in eerdere interviews op de aanpak in Scandinavië als voorbeeld voor een aanpak waarin de klinische geneeskunde en de arbeidsgeneeskunde meer samenwerken. Kunt u dat toelichten?

‘Elk groot ziekenhuis in Scandinavië heeft een aparte afdeling arbeidsgeneeskunde. Ze behandelen mensen met specifieke arbeidsgerelateerde problemen en geven adviezen aan andere klinische afdelingen. Ik hoop van harte dat deze aanpak ook hier in Nederland voet aan de grond krijgt. Ik ben wel optimistisch over het feit dat men in een aantal vakgebieden al meer is gaan nadenken over de betekenis van werk voor patiënten. Op de nationale kankeragenda staat werk nu letterlijk vermeld. Dat is een belangrijke stap. Je ziet andersom dat bedrijfsartsen zich verdiepen in de aspecten van grote ziekten. In Amsterdam doet Angela de Boer veel onderzoek naar het werken met een chronische ziekte.’

Wat betekent deze denkwijze voor de zorginrichting?

‘Systemen zijn ingewikkeld om te keren maar ik vind dat we de zorg echt anders moeten gaan inrichten. Arbozorg moet voor een deel in de reguliere zorg worden opgenomen. Een patiënt komt via de huisarts naar het ziekenhuis. Je zou willen dat daar een arbocuratieve samenwerking ontstaat. Maar medisch specialisten mogen momenteel niks zeggen over werk, wat ik een kunstmatig onderscheid vind.’

Vereist een meer integrale aanpak een ingrijpende systeemverandering?

‘Ja, Nu vallen mensen tussen wal en schip. Huisartsen onderkennen onvoldoende de rol van werk, niet alleen als oorzaak maar ook als oplossing. Bedrijfsartsen richten zich vooral op de werkende bevolking. We moeten van dat strikte onderscheid af en vooral de dingen doen die toegevoegde waarde hebben. Ik ben ervan overtuigd dat deze systeemverandering vanzelf komt. Het UWV kan het werk niet aan en het tekort aan bedrijfsartsen wordt schrijnend. We moeten de taken anders verdelen en gaan vertrouwen op elkaar. Beroepsgroepen moeten over hun eigen graf heen kijken. Specialisten zien het belang ervan inmiddels wel breed in. Bedrijfsartsen moeten zich heroriënteren. De verzuimspreekuren moeten naar anderen worden geduwd, zodat bedrijfsartsen zich kunnen richten op de inrichting van werk.’

Zijn bedrijfsartsen zich al voldoende bewust van de verschuiving die nodig is?

‘De gemiddelde bedrijfsarts beseft het wel, maar komt er nauwelijks aan toe om allerlei redenen. Bedrijfsartsen moeten zich veel krachtiger profileren. Het vak moét anders ingevuld worden. Bedrijfsartsen lijken zich wat bedreigd te voelen door de ontwikkelingen, maar ze moeten in mijn ogen juist de hele discussie over taakdelegatie omarmen, en een deel van het werk overlaten aan verpleegkundigen. Door delegatie creëren ze tijd om op een ander niveau te werken. De overgang is moeilijk, maar het is noodzakelijk. Het gaat niet alleen om hoe belastend werk is, maar ook om hoe we werk optimaal kunnen inrichten.’

U pleit al langer voor vergaande samenwerking tussen de professionals en beleidsmakers die zich bezighouden met werk, re-integratie en gezondheid. Hoe ziet u de rol van de bedrijfsarts hierin? Zouden zij zich hierin meer proactief moeten opstellen?

‘Ja, dat is de boodschap die ik al meerdere keren op de BG-dagen heb uitgedragen. Het systeem is nu zo dat bedrijfsartsen zich noodgedwongen opsluiten in hun spreekkamers. Ze worden ingehuurd door werkgevers en hebben geen enkele bemoeienis met de werklozen buiten het bedrijf. Terwijl de kennis van de bedrijfsarts die de waarde van werk ziet, waardevolle kennis is die je ook naar buiten moet gebruiken. Bedrijfsartsen moeten vocaler zijn over de waarde van werk.’

Wat is kijkend naar de toekomst uw boodschap voor beleidsmakers?

‘Een gezonde werkende bevolking bepaalt het welzijn en de toekomst van ons land. Ik vind het echt onbestaanbaar dat er geen grote nationale programma’s zijn op het gebied van arbozorg en preventie zoals je wel ziet op het gebied van bijvoorbeeld obesitas. Ik snap echt niet waarom er niet ook elk jaar tientallen miljoenen naar onderzoek naar arbeid en gezondheid gaan.’

Waar denkt u dat dat verschil vandaan komt?

‘Wat meespeelt is dat binnen Volksgezondheid het begrip evidence based in de genen zit. Er wordt veel geld gestopt in het evalueren van effectieve behandelingen. Voor dat onderzoek is collectief bewustzijn en veel onderzoeksgeld nodig. De Arbozorg is privaat georganiseerd en super versnipperd. Ik ben er onderdeel van en erg trots op dat we desondanks zoveel supergoede onderzoekers hebben die met houtje-touwtje-gelden goed onderzoek doen. Het is eigenlijk bizar dat desondanks in de internationale top tien van toponderzoekers drie Nederlanders staan. Nederland wordt op het gebied van arbeid en gezondheid gezien als gidsland. Nu ik aan het einde van mijn loopbaan in een reflectieve fase ben aangeland zie ik dat ik echt onderzoek heb gedaan dat ertoe doet en maatschappelijke betekenis heeft. Dat vind ik heel mooi. We moeten de successen meer durven benoemen.’