Het melden van beroepsziekten blijft een aandachtspunt

Hoe gaat een groot ziekenhuis als het AMC in Amsterdam om met beroepsziekten? Welke beroepsrisico’s zijn er en hoe wordt de preventie aangepakt? Kan het AMC met de zesde stap van het stappenplan van het NCvB uit de voeten?
 

Wat kan er beter? We vroegen het bedrijfsarts en hoofd Arbogroep AMC Gerard Frijstein die al ruim 20 jaar in het ziekenhuis werkt.

U bent werkzaam als bedrijfsarts én als hoofd arbodienst. Een dubbele functie dus?

 “Ja. Professional in the lead is binnen het AMC het adagium. Je houdt zo als arts-manager feeling met de dagelijkse praktijk. Ik voel mij daarbij als een vis in het water.”

Welke beroepsziekten komt u binnen het AMC vooral tegen?

“Elke functie heeft zo zijn eigen specifiek (beroeps)risico. De klassiekers, mentale belasting en aandoeningen van het bewegingsapparaat, staan ook in de zorgpopulatie centraal, al merk ik wel dat de fysieke belasting in preventieve zin in de loop der tijd goed is aangepakt. Er zijn hulpmiddelen aangeschaft, elke afdeling heeft inmiddels een ergocoach die jaarlijks wordt bijgeschoold, etc. Daarnaast zien wij ook risico’s als huidbelasting, omgaan met gevaarlijke stoffen, laboratoriumhandelingen, blootstelling aan biologisch agentia in het bijzonder de prikaccidenten. Ondanks de EU-richtlijn die het “recappen” van injectienaalden verbiedt en ondanks de preventieve maatregelen die zijn getroffen zoals de aanschaf van veilige naaldsystemen, zien wij jaarlijks nog circa tien medewerkers die aan de PEP (post expositie profylaxe) moeten in verband met  een prikaccident met HIV-besmet bloed.”

Wat is het speerpunt in jullie beleid?

“Infectiepreventie. Van elke medewerker in het AMC proberen wij de vaccinatiestatus in kaart te brengen. We geven zo mogelijk aanvullende boosters als dit geïndiceerd is. Voor enkele functies is er een specifieke functie-eis geformuleerd. De snijdende specialismen (risicovormers) moeten bijvoorbeeld een geldige HBV-vaccinatie status kunnen aantonen voordat zij worden aangenomen. Jaarlijks zijn wij actief met onze griepvaccinatiecampagne, een zeer zinvolle preventieve maatregel. Het is aangetoond dat hoe hoger de vaccinatiegraad onder het personeel is, hoe minder Intensive Care-opnames met complicaties optreden (proefschrift Mevr. J. Riphagen-Dalhuisen 2013: Influenza vaccination of health care workers).”

Hoe kijkt u aan tegen het melden van beroepsziekten?

Wij zien nogal veel beroepsgebonden uitval. Ik denk dat wij gemiddeld tussen de 10 en 20 meldingen per bedrijfsarts per jaar kunnen doen. Wel merk je dat dit jaarlijks varieert; ook bij ons speelt de waan van de dag. Systematisch melden is lastig en als je het goed wilt doen (6 stappen motiveren), ben je er wel even mee bezig. Daarnaast speelt er steeds de discussie of iets nu wel of niet werkgerelateerd is of meer persoonsgebonden. Voor mij persoonlijk geldt als uitgangpunt: beroepsgebonden totdat het tegendeel duidelijk is. Overigens is dat ook wel vaak het geval.”

De zesde stap, preventie, is voor veel bedrijfsartsen een worsteling.
Hoe gaat dat in het AMC?

“De afgelopen jaren geïntroduceerde stap 6 (Is er een preventieve maatregel te treffen om een beroepsziekte te voorkomen?) vind ik een goede aanvulling. Uiteindelijk is dat toch onze missie? In de meeste  gevallen blijft het bij persoonlijke, preventieve adviezen die je geeft. Bijvoorbeeld wanneer iemand met mentale klachten is uitgevallen doordat de werkdruk hoog is en de relatie met de leidinggevende niet goed verloopt. Maar soms lukt het mij ook op systeemniveau een interventie in te zetten.”

Terugkijkend: Wat is uw mooiste melding?
Wat ziet u als best practice op het gebied van de zesde stap?

“Ik begeleidde een medische specialist die in zijn vakgebied tot de absolute top behoort, maar die het niet goed lukte om op alle fronten (kliniek, onderzoek en onderwijs) duurzaam de juiste balans te vinden. Op alle afzonderlijke competenties blonk deze collega uit, maar de combi brak hem op. Dit had extreme burn-out klachten en langdurige uitval tot gevolg. Als bedrijfsarts heb ik deze casus op individueel niveau kunnen begeleiden. Ik heb de nodige interventies ingezet en intensieve afstemming met de behandelaar gehad. Daarnaast heeft deze casus ook aanleiding gegeven om met de opleider en het Divisiebestuur in gesprek te komen. Want deze casus bleek toch wat minder op zichzelf te staan. Een mooi moment om het instrument PMO medische specialisten onder de aandacht van de afdeling te brengen. Een bijkomende factor waarmee ik het verantwoordelijk management kon overtuigen, vormde het argument dat dit PMO-instrument ontwikkeld is op grond van literatuurstudie, gevalideerde wetenschappelijke argumenten (Coronel Instituut) en een geslaagde pilot waaraan ik had meegewerkt. Voor mij biedt zo’n beroepsziektemelding een extra stimulans om daar waar mogelijk je preventieve kennis in te zetten.”

Heeft u suggesties voor het (proces van het) melden van beroepsziekten?

“Dit blijft een uitdaging. Ik denk dat het proces van melden nog verder vereenvoudigd kan worden. Het heeft er denk ik mee te maken dat je als bedrijfsarts je niet echt ‘lekker intuïtief’ wordt meegenomen. Steeds moet je weer afwegingen maken of zoeken naar het juiste kopje. Het melden werpt nu nog steeds een drempel op mede door de angst voor mogelijk claimgedrag. Hiervan wordt formeel wel afstand genomen, maar in de praktijk wordt dit toch anders gepercipieerd. De oekaze vanuit het ministerie heeft hier denk ik ook geen goed aan gedaan; dat had veel stimulerender gebracht kunnen worden.
Verder blijft het een aandachtpunt voor onze eigen beroepsgroep. Eén van onze belangrijkste kerncompetenties is dat wij ons deskundig voelen op het terrein van beroepsgebonden aandoeningen. Het primaat ligt bij ons! De klinische arbeidsgeneeskundigen pakken dit volgens mij wel al goed op. In de dagelijkse praktijk vraag ik mij soms af of wij dit als beroepsgroep in zijn geheel niet teveel laten liggen. Met name het goed uitdragen en laten zien van je toegevoegde expertise. Als wij kennis van beroepsziekten als kerncompetentie uitdragen, dan volgt daaruit vanzelf dat er meer en beter gemeld gaat worden. Nu blijft het erg vrijblijvend en beperkt tot een te kleine groep.”