Uitvoeren biologische monitoring vergt denkwerk vooraf

Om zicht te krijgen op de blootstelling aan gevaarlijke stoffen in het werk wordt biologische monitoring in Nederland nog maar mondjesmaat toegepast. Maar waar dat gebeurt, roept het vaak onverwachte vragen en problemen op. Biologische monitoring kent voordelen maar de organisatie ervan is gecompliceerd.

Daarom een korte introductie van het nut en de valkuilen van biologische monitoring. Want een goed programma vergt voorbereiding en samenwerking.

Blootstelling gevaarlijke stoffen in kaart brengen
Werkgevers moeten van alle stoffen die schade aan de gezondheid kunnen veroorzaken, gegevens bijhouden om meer te weten over blootstelling, bijvoorbeeld in een register Gevaarlijke Stoffen. In het Arbobesluit staat dat de blootstellingsbeoordeling (artikel 4.2) verplicht tot het schriftelijk vastleggen van de identiteit van de stof, de aard van de gevaren, de wijze van mogelijke blootstelling en het werk of de werkwijze waarbij de blootstelling optreedt. 

De mate en de duur van de blootstelling kunnen worden geschat of gemeten, mits de gekozen methode valide is. Bij het opstellen van een overzicht van de blootstelling aan gevaarlijke stoffen is het vaak nodig om prioriteiten te stellen. Hierbij is het belangrijk om te beginnen met de meest risicovolle en/of de meest gebruikte stoffen. Het opsporen van deze prioritaire stoffen kan bijvoorbeeld aan de hand van de H-zinnen en met software zoals de veelgebruikte Stoffenmanager. De geschatte of gemeten blootstelling toetst men aan een (publieke) grenswaarde of, bij het ontbreken daarvan, aan een door de werkgever vastgestelde blootstellingsgrens (private grenswaarde).

Biologische monitoring
Naast blootstellingsmeting in de omgeving is het ook mogelijk een indruk van de blootstelling te krijgen door biologische monitoring. Biologische monitoring is het gestandaardiseerd (en herhaald) verzamelen, voorbewerken, opslaan en analyseren van biologische weefsels (bijvoorbeeld bloed) en uitscheidingsproducten (bijvoorbeeld urine en ademlucht). Het doel is het vaststellen van de inwendige blootstelling aan een lichaamsvreemde stof door analyse van die stof en/of een product dat in het lichaam uit die stof ontstaat.

Het gaat dus om een beoordeling van de blootstelling en niet om het daar eventueel door ontstane gezondheidseffect. Biomonitoring ten behoeve van het identificeren van biologische en klinische effecten wordt biologische effect monitoring genoemd en wordt hier buiten beschouwing gelaten. 

Voor- en nadelen van biologische monitoring
Belangrijkste voordeel van biologische monitoring is dat het de gezamenlijke blootstelling over alle blootstellingsroutes weergeeft. Dit is vooral van belang voor stoffen die naast inademing ook via de huid en/of de mond kunnen worden opgenomen. Omdat het de totale blootstelling meet, is het een goede manier om te controleren of de al genomen arbeidshygiënische maatregelen voldoende zijn om de blootstelling te beheersen. Ook zijn er een aantal stoffen die gemakkelijker via biomonitoring dan via luchtmetingen kunnen worden bepaald. Ten slotte levert biologische monitoring objectievere informatie in vergelijking met andere vormen van dataverzameling (anamnese, interviews, vragenlijsten, en dergelijke). Op basis van bovengenoemde voordelen kan biomonitoring een belangrijke aanvullende rol spelen bij de beoordeling van de totale blootstelling aan een stof.

De nadelen van biologische monitoring liggen in de complexiteit van het werken met biologische media. Hiervoor bestaan zeer belangrijke zorgvuldigheidseisen wat betreft het verkrijgen en bewaren van persoonlijke monsters en persoonlijke gegevens. Ook is de communicatie over de redenen van de toegepaste technieken, hun voorspellende waarde en het omgaan met persoonlijke gegevens cruciaal, maar vaak zeer lastig. Een ander belangrijk nadeel is dat van slechts voor een beperkt aantal stoffen biomonitoringsmethodieken en richtlijnen beschikbaar zijn. 

Grenswaarden
Waar bij omgevingsmonitoring werknemers verplicht kunnen worden om deel te nemen aan het onderzoek, geldt dat niet voor deelname aan een periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek (PAGO) met biologische monitoring. Verder is het noodzakelijk dat er een biologische grenswaarde is wanneer biomonitoring wordt toegepast in het kader van een PAGO. Helaas is slechts voor een beperkt aantal stoffen een biologische grenswaarde afgeleid. Zo’n grenswaarde kan een gezondheidskundige biologische grenswaarde zijn of een niet-gezondheidskundige biologische richtwaarde. Dat laatste is de waarde die de achtergrondconcentratie weergeeft van een in de algemene bevolking. 

In Europa is alleen voor lood en anorganische loodverbindingen een bindende biologische grenswaarde vastgesteld. Voor meer dan 100 stoffen zijn (niet-bindende) biologische grenswaarden en/of richtwaarden afgeleid. Dat geldt onder meer voor chroom, benzeen, en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s). 

“Bezint eer ge begint” met monitoring
Bij de overweging om biomonitoring toe te passen moet rekening worden gehouden met het feit dat de organisatie van biomonitoring vaak gecompliceerd is. Het gaat onder meer om de juiste keus van het medium, de juiste tijd van afname, deskundig personeel voor monstername, een geschikt laboratorium etc. Bij veel stoffen moet rekening gehouden worden met een (chronische) bijdrage uit andere bronnen (hobby’s, milieu, huishouden, klussen etc.). Verder is biologische monitoring meestal alleen zinvol voor stoffen met systemische effecten, terwijl veel interventiewaarden zijn gebaseerd op lokale effecten.

Ten slotte is communicatie van groot belang, want biologische monitoring schept vaak hoge verwachtingen bij de deelnemer. Als het doel alleen het meten van de blootstelling betreft en er geen uitspraken gedaan kunnen worden over gezondheidseffecten van individuele uitkomsten, is zorgvuldige communicatie belangrijk.

Afwegingen
Een belangrijke vraag vooraf bij het opzetten van een programma gericht op blootstellingsmeting op de werkplek is hoe de balans tussen mogelijke voor- en nadelen voor individuele werknemers eruit ziet. Of het nu gaat om omgevingsmonitoring of biologische monitoring, vooraf moet men nadenken over de volgende aspecten: 

  • Wat is de mogelijke invloed op de gezondheid en/of het welzijn van de werknemer? 
  • Hoe belangrijk is individuele zelfbeschikking? 
  • Onder welke voorwaarden mogen privacygevoelige gegevens worden gedeeld, met wie en voor welk doel? 
  • Onder welke voorwaarden mogen invasieve handelingen worden verricht (lichamelijke integriteit)? 
  • Is een bepaalde verdeling van lusten en lasten rechtvaardig? 
  • Hoe kan het individuele en publieke belang van vertrouwen worden geborgd? 
  • Wat mogen betrokken partijen van elkaar verwachten? 
  • Wat zijn hun rechten, plichten, en verantwoordelijkheden?

Ethische reflectie
In het recent gepubliceerde RIVM-rapport “Het gebruik van biomonitoring en sensoring binnen de arbeidsomstandigheden – praktische en ethische overwegingen” wordt ingegaan op het nut van ethische reflectie bij het bepalen van een programma voor blootstellingsmetingen. Hierin stelt men “Ethische reflectie levert extra vragen op, maar het biedt ook houvast en handelingsperspectief, in de vorm van criteria en overwegingen die kunnen worden voor de beoordeling van programma’s voor blootstellingsmetingen…” Hierna wordt een aantal voorbeelden gegeven met betrekking tot

  • Effectiviteit: voor welke doelen is de gekozen methode effectief en zijn er ongewenste neveneffecten? 
  • Subsidiariteit: het uitgangspunt is dat het minst ingrijpende middel om een doel te bereiken de voorkeur heeft. 
  • Proportionaliteit: een middel moet in verhouding staan tot het doel.
  • Alpartijdigheid: er wordt zo veel mogelijk rekening te houden met het perspectief (belangen en opvattingen) van alle betrokken partijen. 
  • Universaliseerbaarheid: het uitgangspunt is situaties, handelingen en keuzes te beoordelen met behulp van waarden en normen die voor iedereen van toepassing zijn.

Multidisciplinaire samenwerking nodig
Omdat voor het opzetten van biologische monitoring specialistische kennis nodig is op het gebied van gevaarlijke stoffen is samenwerking tussen bedrijfsarts en arbeidshygiënist een noodzakelijke voorwaarde. Dat schept wel een probleem omdat de resultaten van biologische monitoring worden gezien als medische data die niet zomaar kunnen worden gedeeld. Rapportage naar het bedrijf kan alleen op groepsniveau en niet herleidbaar tot een persoon.

Geraadpleegde bronnen

A. Krom et al. 2018 Het gebruik van biomonitoring en sensoring binnen de arbeidsomstandigheden – praktische en ethische overwegingen RIVM Rapport 2018-0096
M.L. Eggens et al. 2012 GGD-richtlijn medische milieukunde Biomonitoring bij kleinschalige (chemische) incidenten RIVM Rapport 609300023/2012